Interessante tabel. Is het verschil van 9,80 % te verklaren door gebrek aan stayers bij de dames na het het afscheid van Irene Schouten/Weideman? Of heeft heeft te maken met de techniek: het rijden met de handjes op de rug met name in de bocht zag ik toch minder bij de dames. Het kan zijn dat deze techniek met name in de bocht lastiger is voor de dames vanwege fysieke verschillen.
Goeie vraag. De snelste stayer van het seizoen bij de vrouwen ontbreekt natuurlijk, maar zelfs als ik de 6:41.48 van Conijn en de 12:29.63 van Jilek invul als beste (nonkwartet) seizoenstijden dan is het verschil nog steeds het 35e grootste van de 101 wedstrijden, dus nog steeds bovengemiddeld.
Maar als je kijkt per tien jaar dan valt iets op. Tussen juli 1997 en juli 2007 was het gemiddelde verschil 5.71%, tussen juli 2007 en juli 2017 was het gemiddelde verschil 6.50%, en tussen juli 2017 en nu is het gemiddeld 7.57%. Het wordt dus steeds groter, en als je alleen naar de wedstrijden van de afgelopen negen jaar kijkt dan is het verschil tussen die twee seizoensbesten juist wat ondergemiddeld met 7.12%.
Ter vergelijking, dit zijn de tijden die de vrouwen gisteren hadden moeten rijden voor bepaalde percentages verschil ten opzichte van de 12:30.54 waarmee de mannen wonnen.
9.80% -
6:52.03 (grootste verschil ooit - WK 2026 Hveen)
7.57% -
6:43.67 (gemiddeld verschil 2017-2026)
6.50% -
6:39.66 (gemiddeld verschil 2007-2017)
5.71% -
6:36.70 (gemiddeld verschil 1997-2007)
3.09% -
6:26.87 (kleinste verschil ooit- EK 2000 Hamar)
Je kunt het natuurlijk ook andersom doen en kijken wat de mannen hadden moeten rijden als je de vrouwentijd vast zet op 6:52.03.
9.80% -
12:30.54 (grootste verschil ooit- WK 2026 Hveen)
7.57% -
12:46.07 (gemiddeld verschil 2017-2026)
6.50% -
12:53.77 (gemiddeld verschil 2007-2017)
5.71% -
12:59.55 (gemiddeld verschil 1997-2007)
3.09% -
13:19.36 (kleinste verschil ooit - EK 2000 Hamar)
Het verschil tussen de gemiddelden van 1997-2007 en 2017-2026 is zo'n zeven seconden op de vijf kilometer en dus zo'n veertien seconden op de tien kilometer. Daar is uit af te leiden dat de mannen in de afgelopen 20 jaar ruim een half punt meer progressie hebben geboekt op de langste afstand dan de vrouwen. Tenminste als je puur naar de winnende tijden kijkt, de breedte zou een ander verhaal kunnen zijn.