6. Anni Friesinger
Duitsland, 1994 - 2010
Het bewijs dat ook West-Duitsland superkampioenen kon voortbrengen, werd geleverd door Anni Friesinger, dochter van een Poolse moeder en West-Duitse vader die in de jaren ’70 in de marge van het internationale schaatsen meededen. In 1996 won ze het WK Junioren, maar ruim daarvoor had ze ook al haar seniorendebuut gemaakt, toen toppers als Niemann en Pechstein in 1994 voorbereiding voor de Spelen boven het WK verkozen. Tijdens dat toernooi werd ze al 5e, met afstandsmedailles op 1500 en 5. In 1997 won ze tijdens haar eerste jaar als senior direct WK-zilver op de 1500 en 3 en een jaar later was er brons op het WK Allround, brons op de 3 in Nagano en een eerste WR op de 1500. Na een pechjaar in 1999 ging ze in het nieuwe millennium door waar ze gebleven was, met een eerste titel op het EK en zilver op de 1500. Vanaf 2001 was ze Niemann en Pechstein definitief voorbij en kon alleen Klassen haar nog uitdagen op allroundvlak. Tussen 2001 en 2005 won ze 3 WK’s Allround (in 2005 door alle afstanden te winnen), 7 wereldtitels afstanden, 4x zilver op het WK Afstanden en 4 achtereenvolgende EK’s. In 2003 won ze 1000, 1500 en 3 en toen ze in 2005 ook nog de 5 won werd ze de enige vrouw met titels op al die afstanden. De Spelen in Turijn liepen niet goed met enkel brons op de 1000. Vanaf dat moment ging ze zich meer teleggen op de sprint en in 2007 lukte het haar om het WK Sprint winnend af te sluiten. Daarmee is ze de enige vrouw die goud heeft op alle WK’s: Allround, Sprint, Afstanden en Junioren. Tot en met 2009 waren er nog 5 extra WK Afstanden medailles (3 keer goud) en nog eenmaal zilver bij sprint en allround, maar in Vancouver was de koek op en kon ze individueel geen potten meer breken. Ze was inmiddels getrouwd met Postma, sprak uitstekend Nederlands en was na haar pensioen geregeld als analist op televisie te zien. Als Friesinger meedeed won ze vaker wel dan niet, maar er waren ook best vaak probleempjes. Ze was geregeld geblesseerd, vaak door eigen toedoen, bijvoorbeeld door te vallen tijdens het trainen en daarbij haar achillespees te raken. Ook tijdens toernooien waren er vaak incidenten door valpartijen en andere zaken, hoewel haar valpartij op de Olympische ploegenachtervolging zonder erg bleek. Het gat van Friesinger naar de top 5 is qua puntenaantal aanzienlijk, maar ik ben ervan overtuigd dat als ze wat minder gedoe had tijdens haar carrière, ze ook in dat groepje had kunnen staan. Samen met Pechstein was ze de laatste van de Duitse superkampioenen, maar van een teamgevoel was niet echt sprake. Ze lagen voortdurend met elkaar overhoop, waarbij in Nederland de vlotte westerse Friesinger duidelijk de gunfactor had. In 2003 won ze de Oscar, in totaal stond ze 287 dagen aan kop van de Adelskalender en reed ze 4 WR’s op haar beste afstand, de 1500, waarop ze ook 2e op de afstandslijst staat. Op de 3 staat ze op plek 9 en op de 1000 staat ze, ondanks dat ze die pas halverwege haar carrière ging rijden, zelfs op plek 4.
5. Karin Kania
Duitsland, 1980 - 1988
Om consequent te zijn had ik Kania eigenlijk Enke moeten noemen, maar omdat ik haar hiervoor telkens als Kania heb benoemd, hou ik dat nu ook maar zo. We zijn aangekomen bij de top 5 en die staan mijlenver voor de rest, maar heel dicht bij elkaar. Van deze 5 heeft Kania met afstand de kortste carrière, wat automatisch betekent dat ze ook het dominantst was van iedereen. Zoals wel vaker begon ze als kunstrijdster, maar werd ze te lang bevonden voor deze sport, waarna ze in 1978 maar overstapte naar het schaatsen. Dit was snel succesvol, want in 1980 won ze al het WK Sprint, met 3 afstandszeges en bijna 3,5 punt voorsprong, en de Olympische 500 meter. Ik ga voor de rest snel door haar carrière heen, want, als je alles wint valt er niet zoveel extra’s te vertellen. Tussen 1981 en 1984 won ze 3 keer het WK Sprint en 2x het WK Allround en werd ze bij de overige toernooien 2e. Op de Spelen van ’84 waren er ook 2 keer goud (1000 en 1500, in het enige WR van die Spelen) en 2 keer zilver (500 en 3 achter Rothenburger en Mitscherlich). Inmiddels was Enke veranderd in Busch en daarna Kania en met deze Kania, zoals zo vaak was ze getrouwd met haar trainer, kreeg ze in 1985 een kind, waardoor ze er dat hele jaar uitlag. Haar concurrentes zagen natuurlijk hun kans schoon en hoopten niet alleen dat jaar titels te winnen, maar definitief Kania voorbij te kunnen streven, maar niets was minder waar. In de jaren de volgden was Kania beter dan ooit en ze won nog driemaal het WK Allround en tweemaal het WK Sprint. Alleen in 1988 was ze wat minder en op het WK Sprint moest ze genoegen nemen met zilver en op de spelen met tweemaal zilver en eenmaal brons. Op de 3 werd ze zelfs 4e, waarmee er voor het eerst sinds 1980 een titeltoernooi was waarbij ze niet op het podium eindigde (1985 niet meegerekend). Na dit toernooi maakte ze samen met Mitscherlich en Schönbrunn bekend te stoppen. Het is algemeen bekend dat de Oost-Duitse dames enorm aan de doping zaten en dit heeft absoluut invloed gehad op hun prestaties, maar daar ga ik hier verder niet op in. Het is hoe dan ook indrukwekkend hoe dominant Kania gedurende al die jaren is geweest. Na haar eerste WK Allround heeft ze in 15 WK deelnames 11 keer goud en 4 keer zilver gewonnen op WK’s en heeft ze op 2 4e plekken na op de Spelen bij al haar deelnames op het podium gestaan. In 1986 had ze bijna het perfecte jaar, maar werd ze op het WK Allround 4e op de 5, haar puntenaantal van dat jaar is met afstand de beste jaarscore van alle vrouwen en zou voldoende zijn geweest voor plek 83 op de lijst. Vreemd genoeg deed ze maar 3 keer mee aan het EK, waarbij ze telkens 2e werd. Op de 3 en 5 na, staat ze bij alle afstandslijsten, inclusief de vierkampen, top 6. In totaal stond Kania 797 dagen bovenaan de Adelskalender, verdeeld over 3 periodes en ze reed 10 wereldrecords, waarbij haar Medeowerelrecord van 1.59,3 zo bizar goed was, dat het tot het klapschaatstijdperk bleef staan. Ik kan oneindig lang door blijven gaan met records en megaprestaties van Kania opnoemen, maar dat heeft niet zoveel zin. Ik wil daarom afsluiten met de observatie dat Kania op haar 26e stopte en dat als ze 1 jaartje was doorgegaan, ze aan haar slechtste jaar sinds 1980 genoeg had gehad om de eerste plaats op de lijst der lijsten te bezetten.
4. Gunda Niemann
Duitsland, 1988 - 2004
Na Kania was er al heel snel Niemann (of eigenlijk Kleemann) die bij het allrounden het stokje overnam. Met 8 Europese- en wereldtitels allround lijkt het gerechtvaardigd om Niemann als beste allrounder ooit te beschouwen, dus laat ik dat ook maar doen. Ze begon pas op haar 17e met schaatsen en in tegenstelling tot vele anderen was zij dan ook nooit succesvol op het WK Junioren. Toen ze in 1988 debuteerde op het EK en direct zilver haalde, was ze al 21. Ze beschouwde zelf een World Cup-race op de 3 in datzelfde seizoen, waarbij ze in een direct duel binnen een seconde van winnares Kania bleef, als haar grote doorbraak. In 1989 won ze haar eerste EK, maar was er op het WK nog zilver, achter trainingsmaatje Moser (#96). Een jaar later maakte ze goede kans om haar eerste wereldtitel te pakken, maar kreeg ze een DQ door een botsing met Xiuli Wang op de kruising tijdens de 1500 (#215). Sowieso heeft Niemann behoorlijk wat blunders gemaakt, qua valpartijen en DQ’s door in de verkeerde baan te schaatsen, waardoor ze waarschijnlijk een stuk of 4 titels is misgelopen. Nadat ze in 1991 haar eerste WK won was het hek van de dam en tot 1999 werd ze bij al haar deelnames (alleen in 1994 niet) wereldkampioen, waarbij ze doorgaans 1500, 3 en 5 kilometer allemaal won. In 1995 won ze zelfs alle afstanden op WK én EK. Op de Spelen van 1992 maakte ze haar favorietenrol volledig waar, met goud op de 3 en 5 en zilver op de 1500, maar in de daaropvolgende Spelen waren er meer problemen, mede doordat ze de immense druk van de favorietenrol niet aankon. In 1994 moest ze het doen met een val+DQ op de 3, brons op de 1500 en zilver op de 5, achter Pechstein. In 1998 won ze wel de 3, maar waren zilver op de 1500 en 5 (slechts 0,04 achter Pechstein), toch grote tegenvallers. Op de WK’s Afstanden was er verder wel veel succes, met tussen 1996 en 2001 in 11 afstanden 9 keer goud en 2x zilver. In 2000 werd ze voor het eerst geen wereldkampioen allround, doordat ze achter haar eeuwige rivale Pechstein eindigde, wat het einde van haar dominantie inluidde. Door zwangerschap (dochter Victoria leek een grote toekomst tegemoet te gaan, maar is helaas gestagneerd) miste ze 2002 en 2003 en haar comeback in 2004 doofde snel uit, doordat ze last bleef houden van haar rug. In totaal reed ze maar liefst 19 wereldrecords, als ik het goed heb een wereldrecord aan wereldrecords. Haar 4.00,26 in Hamar in 2001 is was misschien wel 1 van de beste ritten die ooit door een vrouw zijn gereden en zou afgelopen WK op diezelfde baan de winnende tijd zijn geweest. Ze stond 2958 dagen bovenaan de Adelskalender, verdeeld over 2 periodes. Met maar liefst 30 gouden medailles staat ze ruim bovenaan als het gaat om aantal overwinningen (5 meer dan nummer 2 Kania). Op de afstandslijsten van 1500, 3 en 5 staat ze 3e en bij het allrounden bezet ze plek 2. In 1995, 1996 en 1997 won ze de Oscar, waarmee ze als enige vrouw meer dan 1 beeldje op de schoorsteenmantel heeft staan. Ze had geen fluwelen techniek, maar een enorme wilskracht, wat in Duitsland zeer gewaardeerd werd. Ze was de eerste Duitse schaatsster die grote sponsorcontracten binnen wist te slepen en was veelvuldig te zien in de media. Net als Friesinger had ze een langdurige vete met Pechstein, maar verder was ze alom geliefd in de schaatswereld en ze lijkt dan ook bij uitstek geschikt voor haar rol als trainer, die ze de laatste jaren heeft opgepakt. In 2001 werd de baan in Erfurt naar haar vernoemd en sinds 2019 is ze de eerste schaatsster in de Duitse sport Hall of Fame.