Succesvolste (?) schaatsters

Asterisk

Well-Known Member
Na de positieve ontvangst van de vorige lijst, succesvolste (?) schaatsers, kwamen er verzoeken voor de vrouwelijke versie van deze lijst. Dus zie hier: succesvolste (?) schaatsters!

Een korte samenvatting van de methodiek van de lijst: voor elk jaar wordt per discipline gekeken wat het belangrijkste toernooi was (allround, sprint en de individuele afstanden). Voor deze wedstrijden wordt aan de top 10 punten toegekend, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen het belang van Spelen versus WK's of afstanden versus toernooien. Bij elkaar geven deze scores een beeld van de succesvolste schaatsters in de (recente) geschiedenis. Meer details over de algemene methodiek kunnen doorheen het mannentopic worden gevonden.

Toch zijn er een paar kanttekeningen beduidend anders bij de vrouwen dan bij de mannen. Zeker historisch gezien is het veld bij de vrouwen smaller dan bij de mannen. Ook liggen sprint en allround door het ontbreken van de 10km (en vroeger zelfs van de 5km) dichterbij elkaar, waardoor er veel meer dubbelingen van rijdsters over afstanden en toernooien plaatsvinden. Zeker tot en met de jaren 80 was het niet vreemd als de top 10 op de sprint en zeker op de 1000 ongeveer gelijk was aan de top 10 op het WK Allround. Dit resulteert erin dat in totaal veel minder schaatsters in de lijst staan en de scores, vooral in de top, navenant veel hoger zijn. De glorieuze winst van Kramer in de mannenlijst zou qua puntentotaal bij de vrouwen bijvoorbeeld hebben geleid tot een 6e plek. Deze neiging tot een enorme hoeveelheid dubbelingen leidt er vooral in de jaren 80 toe dat schaatsters die wel goed, maar niet dominant waren, toch heel erg veel punten wisten te scoren, waarmee ze soms een stuk hoger eindigen dan je qua aantal medailles zou verwachten. Daarentegen is de stayersbias die bij de mannen duidelijk aanwezig was hier totaal niet relevant en hebben ook pure sprintsters het erg lastig. Eerder is er sprake van een allrounder/middenlangeafstandsbias. Dit zijn immers precies de rijdsters die aan praktisch elke discipline mee kunnen doen.

Een ander belangrijk verschil ligt in de wedstrijden die worden gereden. Pas sinds 1983 worden er 5 verschillende afstanden gereden op grote toernooien; bij de mannen was dit het geval sinds 1970. Tot 1960 was er daarnaast geen sprake van Olympische Spelen en dat is ook te zien aan de deelnemersvelden van de jaren '50. Als er Russinnen meededen eindigden die bijna zonder uitzondering 1 tot en met 7 en als er geen Russinnen meededen waren er enkel Scandinavische dames aanwezig, terwijl de deelnemersvelden soms niet verder gingen dan een vrouw of 12. Toen de Spelen werden ingevoerd zag je dit echter vrij snel veranderen en werd de sport merkbaar serieuzer genomen internationaal. Daarom laat ik de puntentelling beginnen vanaf 1957; het begin van de Olympische cyclus van 1960, waarin de sport in hoog tempo aan deelnemersveld en internationaliteit won. Voor de rijdsters die (deels) ook daarvoor punten haalden zal ik naast hun officiële positie op deze kortere lijst, ook gewag maken van hun positie als alle toernooien na de Tweede Wereldoorlog waren meegenomen.

Dan worden dit dus de verschillende perioden aan wedstrijden die kunnen worden onderscheiden:
(- 1947 - 1956: Telt alleen officieus. Enkel een WK Allround, dat tot en met 1955 bestond uit een 500, 1000, 3 en 5 en in 1955 de 5 wisselde voor de 1500.)
- 1957 - 1969: Enkel een WK Allround en Olympische Spelen, beide in de afstanden 500 tot en met 3. In de jaren met Olympische Spelen tellen de Spelen en het Allroundklassement, in de tussenliggende jaren beschouw ik de afstandsmedailles van het WK Allround als WK Afstanden.
- 1970-1982: Het WK Sprint komt erbij, hiervan telt het klassement mee. Voor de 500 en 1000 meter geldt nu in niet Olympische jaren een fictief klassementje over de gereden races per afstand van het WK Sprint.
- 1983 - 1987: Het WK Allround verruilt de 1000 voor de 5000 meter. De 5 wordt op de Spelen van 1984 nog niet verreden en dus geldt voor al deze jaren de 5 van het allroundkampioenschap.
-1988 - 1995: De 5 wordt ook op de Spelen gereden en wordt nu dus in elk jaar hetzelfde behandeld als de 1500 en 3.
-1996 - 2020: Jaarlijks WK afstanden wordt ingevoerd. Deze tellen telkens gewoon voor de losse afstanden, van de WK's allround en sprint tellen enkel nog de eindklassementen. In 1998 werden zowel WK Afstanden als Olympische Spelen gehouden. De WK afstanden was toen niet het belangrijkste toernooi en telt dus niet mee.
- 2020 - heden: Om het jaar een WK Sprint en WK Allround. In de oneven jaren zijn er geen klassementen meer op te maken, dus tellen er in deze jaren gewoon minder wedstrijden mee. Ik heb overwogen de massastart toe te voegen, dat zou dit verlies van wedstrijden ook direct deels opvangen, maar (voor nu) is dat niet gedaan.

De kaders zijn uitgezet. Naar goed gebruik begin ik weer met een, wat uitgebreide, reeks aan eervolle vermeldingen alvorens de top 50 te onthullen.
 
De eervolle vermeldingen zijn de beste rijdsters van landen die niet in de top 50 staan en een aantal vrouwen die veel punten pakten voor 1957.

437. Inga Gilauri
Georgië, 1984 - 1989

Was het bij de mannen soms lastig om met zekerheid te achterhalen tot welk land alle Sovjetters gerekend moesten worden, bij de vrouwen maken de voortdurende naamwisselingen in combinatie met een voorliefde voor dezelfde 5 voornamen het welhaast onmogelijk. Toch ben ik er wel zeker van dat Gilauri de enige Georgische in de lijst is. Ze begon als sprintster, maar schoolde bij gebrek aan succes om tot allroundster. Hierin behoorde ze tot de subtop van de Sovjet-Unie, wat haar nooit tot de Spelen bracht, maar wel op plek 10 van het WK Allroundklassement in het Olympische jaar 1988, aangevuld met enkele top 10 klasseringen op EK’s.

437. Martine Ivangine
Frankrijk, 1966 - 1968

Over het algemeen zijn de Franse mannen succesvoller dan de vrouwen, maar eind jaren ‘60 was het Ivangine die de Franse eer hoog moest houden op internationale schaatstoernooien. Al heel jong deed ze het redelijk goed met in 1967 een 10e plek op de 500 als beste prestatie. In 1968 volgden er enkele top 15 noteringen op de Spelen, waardoor de Franse bond naar verluid zo enthousiast was geworden dat ze het WK het jaar daarna ook naar Frankrijk haalden. Dat mocht echter niet baten, want Ivangine was daar al niet meer bij.

397. Jelena Peeters
België, 2011 - 2018

België is het eerste land dat we tegenkomen met meerdere schaatssters in de lijst. Tas staat net als de vorige 2 dames op # 437 met 1 punt, maar Peeters doet het nog een stukje beter met #397. Samen met Swings overgestapt vanuit het skeeleren ontpopte ze zich als degelijke stayer met als hoogtepunten een 9e en 10e plek op de op de 5 kilometer in 2015 en 2018. En schaatsen en skeeleren zijn niet haar enige talenten: in 2018 reed ze op de Spelen rond in een zelfontworpen pak.

323. Ellia Smeding
VK, 2020 - heden

Een Engelse naam voor een Engelse schaatsster met een Engelse vader. Tot zoverre niks geks (of voor een schaatsster juist wel eigenlijk), maar Ellia heeft toch echt het voordeel van een Nederlandse moeder een jeugd in Harlingen. Een vergelijkbaar type als dubbellandgenoot Kersten, als sprintster met voorkeur voor de 1000. Tussen 2022 en 2024 behaalde ze 4 top 10 plekken op de WK sprints en 1000 meters, maar haar mooiste resultaat was misschien wel de 3e plek op de afsluitende 1000 van het EK Sprint van 2023. Het zou leuk zijn als ze na een periode van tegenslag weer terug kan keren richting dat niveau.

275. Silvia Brunner
Zwitserland, 1976 - 1984

Silvia Brunner was in de jeugd een groot talent, dat het nooit helemaal waar wist te maken, maar wel gedurende een jaar of 8 bij de subtop van de wereld behoorde op de sprintafstanden . Vanaf haar 18e won ze al consequent alle nationale wedstrijden in Zwitserland en in 1977 en 1978 waren er zelfs afstandsmedailles op de 500 meter van het WK Junioren en enkele wereldrecords voor junioren op haar thuisbaan in Davos. Als senior bereikten ze die resultaten niet meer, maar er waren wel consequent plekken rond plek 10 op de sprintonderdelen. Op de 500 meter reed ze tweemaal richting plek 6 op het WK Sprint en in het eindklassement reikte ze in 1979 tot plek 10. Met McGregor (#408) heeft ze eindelijk een opvolgster gekregen in de internationale schaatswereld.
 
Laatst bewerkt:
190. Rimma Zjoekova (9)
Rusland, 1947 - 1958


Nee, Zjoekova is niet de hoogst genoteerde Russin, maar wel de eerste en direct succesvolste van een nieuwe categorie eervolle vermeldingen. Qua prestaties vanaf 1957 staat Zjoekova op #190, maar vanaf 1947 zou ze maar liefst op #9 staan. Er waren wagonladingen aan Sovjetdames die in de jaren ’50 alle denkbare medailles wonnen, slechts bij uitzondering dwarsgezeten door één Finse en één Noorse, en van die dames was Zjoekova de stabielste. Zij pakte 3 nationale titels, toen het NK waarschijnlijk van hoger niveau was dan het WK. Het WK daarentegen, wist ze alleen in 1955 te winnen (met meer dan 2 punten voorsprong), maar dat vult ze wel aan met 3 zilveren en 2 bronzen medailles. Ook reed ze nog tussen de 6 en 19 wereldrecords op de 1000 t/m 5 t/m vierkamp (het was toen allemaal niet zo duidelijk als nu) en stond ze tussen 1952 en 1955 1256 dagen aan de top van de Adelskalender, een positie die ze pas af hoefde te staan toen de 5000 in de vierkamp werd vervangen door de 1500. Ze had een redelijk bijzonder levensverhaal, niet omdat ze meerdere boeken over schaatsen heeft geschreven, maar vooral omdat ze getrouwd was met een toenmalig hoofd van de Russische geheime dienst. Zoals dat gaat met hoofden van geheime diensten raakte meneer Fitin uit de gratie, waarna Zjoekova dreigde te worden uitgesloten van internationale wedstrijden en uit noodzaak maar besloot te scheiden.

182. Lidija Selichova (21)
Rusland, 1946 - 1958


De volgende Russin die last heeft van het starten van de lijst in 1957 is Selichova, die zich daardoor een #21 door de neus geboord ziet worden. Waar Zjoekova vooral nationaal presteerde was dat bij Selichova eerder andersom. Zij won namelijk nooit een NK (3 medailles), maar werd wel tweemaal wereldkampioen (5 medailles). De 1000 was haar beste afstand, hier heeft ze in 1953 ook een WR op gereden, maar verder was ze vooral vrij allround. Won ze in 1952 op weg naar haar eerste wereldtitel de 1000 nog, in 1954 won ze geen enkele afstand, maar was ze allround toch beter dan sprintster Kondakova en langeafstandsrijdster Zjoekova. Na een laatste bronzen medaille in 1957 verruilde ze haar schaatscarrière voor een trainerscarrière. Toen ze tijdens de oorlog opkwam werd ze getraind door een partizaan die later op het slagveld om het leven kwam. Die verzetsdaden moeten ook haar hebben geïnspireerd, want ze heeft om een lastig vindbare reden een medaille voor de verdediging van Leningrad gekregen.

173. Mihaela Dascalu
Roemenië, 1991 - 1998

Met afstand de beste Roemeense schaatsenrijder, man of vrouw, is Mihaela Dascalu. Eind jaren ’80 verkoos ze de langebaan definitief boven het schoonrijden, maar door een dopingschorsing zou ze pas in de jaren ’90 aan internationale wedstrijden mee gaan doen. Gedurende de jaren ’90 was ze een stabiele subtopper in het Europese allroundveld, die alle afstanden vanaf de 1000 wel redelijk aankon. In 1994 was het WK Allround in de VS, terwijl een week later de Spelen in Noorwegen begonnen; een recept voor afmeldingen van een aantal toppers. Dascalu pakte die kans met beide handen aan en pakte de bronzen medaille, het absolute hoogtepunt van haar carrière.

138. Christina Scherling (124)
Zweden, 1955 - 1970


Schaatsland Zweden heeft bij de vrouwen beduidend minder succes dan bij de mannen en de hoogst genoteerde Zweedse had weliswaar iets hoger kunnen staan bij een uitgebreidere lijst, maar niet zoals voorgaande Russinnen. Vanaf eind jaren ’50 was Scherling (ook wel Lindblom geheten) tijdenlang een vrij degelijke schaatsster. Ze reed, zoals toen gebruikelijk, alle afstanden, maar was vooral op de 1500 (6e in 1964) en 3 (5e in 1960) een subtopper. Ze kwam eigenlijk nooit echt in de buurt van medailles, maar viel ook nooit echt tegen. In de tussentijd won ze wel 16 medailles op het NK, waarvan 13 keer goud. Van een vrouw wier resultaten spannend zijn in hun saaiheid, verwacht je misschien niet heel veel gekke feitjes, en terecht, want ik kan ze in ieder geval niet vinden.

115. Tatjana Sjelechova
Oekraïne, 1965 - 1976

In eerste instantie had ik Valentina Lalenkova (#100), die uitkwam voor Dynamo Kiev, als hoogst genoteerde Oekraïense in de lijst staan, maar bij nader inzien kan zij toch beter als Russin worden geclassificeerd. Daardoor gaat deze eervolle vermelding naar Tatjana Sjelechova. Als 18-jarige haalde Sjelechova (toen nog Rastopsjina) in 1965 direct de top 10 op het WK en een jaar later won ze zelfs de 1000 meter. Als beloning was haar een nieuw appartement beloofd, maar omdat ze die niet in haar eigen woonplaats kreeg, maar wel in Kiev besloot ze zich voorgoed in Oekraïne te vestigen en ook daarvoor uit te komen. Hier schijnen de Wit-Russen op tegen te zijn geweest (vraag me niet waarom), maar lange tijd leek dat niet meer relevant, omdat ze in 1967 moeder werd en stopte met schaatsen. Een paar jaar later maakte ze echter een comeback, die compleet werd in 1973, toen ze de zilveren medaille pakte op het WK Allround, achter Atje Keulen-Deelstra. Na nog een paar minder succesvolle jaren stopte ze in 1976 definitief.
 
Laatst bewerkt door een moderator:
Wat leuk dat je dit nu ook doet voor de vrouwen! Ik vind het erg interessant om al die achtergrondfeitjes te lezen over verschillende schaatsers.
 
108. Eevi Huttunen (13)
Finland, 1941 - 1960


In de “officiële” lijst is Huttunen niet de hoogst genoteerde Finse, maar in de uitgebreide lijst wel. In de jaren ’50 was ze eigenlijk de enige die de Russinnen echt kon verslaan, met meerdere afstandszeges op de 3 en 5. Ze verloor echter veel tijd op de korte afstanden, waardoor Huttunen in de eindklassementen doorgaans niet verder kwam dan plek 4. In 1951 deden de Russinnen niet mee, waardoor Huttunen haar kans kon grijpen. Ja, er waren slechts 10 deelneemsters en ja, de nummer 3 eindigde op 22 (!) punten achterstand, maar Eevi wist wel Thorvaldsen te verslaan en pakte daarmee haar eerste, enige en dus direct gouden WK-medaille. Ze had er als stayer last van dat de 5 kilometer uit de vierkamp werd verwijderd in 1956, maar haalde haar gram in 1960 door bij de eerste Spelen en haar laatste internationale toernooi, op 37 jarige leeftijd, op de 3 de bronzen medaille pakken, met slechts 0,4 seconde voorsprong op Nagakubo-Takemizawa (#156). Ze werd viermaal verkozen tot sportvrouw van het jaar en zette zich na haar carrière in voor Kartula, haar geboortedorp waar ze haar hele leven is blijven wonen. Toen ze op 93 jarige leeftijd, zonder erfgenamen, overleed, liet ze dan ook haar erfenis na aan de jeugdzorg aldaar.

107. Francesca Lollobrigida
Italië, 2011 - heden

Als deze lijst vorig jaar was gepubliceerd, was Elena Belci (#125) de hoogst genoteerde Italiaanse geweest. Na haar glorieuze wereldtitel op de 5 van afgelopen jaar is dat echter Lollobrigida. In een periode dat het Italiaanse mannenschaatsen in de breedte aan het opkomen was, moest Marchetto het bij de vrouwen enkel nog hebben van de Romeinse Lollobrigida. Op de massastart en Nederlandse marathons behoorde ze altijd al bij de absolute top, maar voor succes op de klassieke langebaanonderdelen was het wachten op het EK Allround in eigen land van 2019, toen ze op haar geliefde buitenijs verrassend een bronzen medaille pakte. Ze leek in 2022 haar hoogtepunt te bereiken met het zilver op de Olympische 3 kilometer, waarna ze met kleine Tommasso en een brede glimlach veranderde in Mamabrigida en het schaatsen even links liet liggen. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan en Lollo moet ook hebben gezien dat het niveau genoeg openingen bood om weer serieus mee te doen. Dit resulteerde zoals gezegd in die prachtige titel op de 5 van 2025. Zo beroemd als oudtante Gina is ze nog niet, maar als ze dit kunststukje in Milaan weet te herhalen, komt ze misschien nog in de buurt.

88. Song-Soon Kim
Noord-Korea, 1962 - 1969

Bij de mannen is Zuid-Korea in elk opzicht het betere schaatsland, maar bij de vrouwen gooide Noord-Korea lange tijd hogere ogen. Vooral halverwege de jaren ’60 was Noord-Korea zeer succesvol met het duo Pil-Hwa Han (#110) en Song-Soon Kim. Kim was vooral op de 1000 en 1500 enkele jaren wereldtop, met in totaal 3 afstandsmedailles op de WK’s van 1966 en 1967, waaronder winst op de 1500 in 1966, 2 seconde voor nummer 2 Stien Kaiser. Uiteindelijk zou ze dat toernooi tweede worden in het klassement, een half punt achter Valentina Stenina, maar een punt voor Kaiser. Hiermee was ze de eerste Aziaat, man of vrouw, met een WK allroundmedaille. Op de Spelen schopte ze het tot een 4e plek op de 1500 in Innsbruck, 0,6 seconde achter het brons van Berta Kolokoltseva (#309).

71. Sofia Kondakova (16)
Rusland, 1950 - 1960


De volgende in de categorie Russinnen uit de jaren ’50 is Sofia Kondakova. Net als Aleksandr Roemjantsev en Boris Sjilkov afkomstig uit het in de poolcirkel gelegen Archangelsk, maar in tegenstelling tot hen was Kondakova, als enige absolute topschaatsster in die periode, een echte sprintster. Na een eenmalige deelname als 18-jarige in 1950, toen ze naar huis kwam met een zilveren afstandsmedaille op de 500, deed ze tussen 1953 en 1959 altijd mee aan het WK met enkel eerste (4x) of tweede plekken (3x) op de kortste afstand, aangevuld met 4 gouden 1000 meters. In 1954 en 1955 verloor ze nog teveel op de 5 kilometer, waardoor ze in het eindklassement op de 3e plek strandde (wat ze ook in 1958 nog zou doen), maar in 1956 maakte ze optimaal gebruik van de wisseling tussen de 5 en de 1500: ze werd wereldkampioen met 3 afstandszeges. Opmerkelijk genoeg reed ze nooit een wereldrecord op de 500, maar in 1951 had ze wel de eer om op de 1000 het allereerste wereldrecord in Medeo te rijden.

67. Qiaobo Ye
China, 1983 - 1994

China had in de jaren ’60 een aantal subtoppers, verdween toen enkele decennia van het toneel en vestigde zich met Xiuli Wang (#216) en Qiaobo Ye definitief bij de schaatstop. Ye had qua grote toernooien een ultrakorte carrière, maar schijn bedriegt. Tussen 1981 en 1983 deed ze namelijk al mee aan het WK Junioren. In 1988 werd ze betrapt op dopinggebruik. In het hiërarchische China werd ze, hoewel ze zelf alle betrokkenheid ontkende, verguisd als schandebrenger over familie en vaderland, maar ze vocht zich terug en in 1991 was ze plotseling wereldtop. Ze was tussen 1991 en 1994 misschien wel de beste sprintster ter wereld, met 1x zilver (1991) en 2x goud (1992 en 1993) bij het WK sprint. Op de Olympische Spelen bereikte ze de top net niet met in 1992 zilver op de 500 (0,18 achter Blair) en de 1000 (0,02 achter Blair). Haar prestaties in 1992 maakten haar de eerste Aziatische wereldkampioene en de eerste Chinese winnares van een Olympische schaatsmedaille. Na 1993 kreeg ze last van een knieblessure. Desondanks pakte ze in 1994 in Hamar nog brons op de 1000, waarna haar blessure haar noopte te stoppen. Uiteindelijk kreeg ze ook nog eerherstel, toen Chinese officials toegaven dat haar arts verantwoordelijk was voor haar positieve dopingtest en zij zelf niet.
 
Laatst bewerkt:
De laatste kaart met eervolle vermeldingen bestaat uit 3 hoogst genoteerde rijdsters van hun land en 2 schaatssters die geen officiële ranking hebben, maar wel in de top 50 hadden gestaan als alle naoorlogse jaren hadden meegeteld.

66. Kaija Mustonen
Finland, 1958 - 1968

Na Verné Lesche en Eevi Huttunen (#108) was Kaija Mustonen de laatste Finse schaatskampioene. Na een aantal jaren in de marge brak ze in 1964 echt door. In dat jaar werd ze 4e op het WK Allround (door haar mindere 500 zou ze nooit het allroundpodium halen) en pakte ze op de Spelen brons en zilver op de 1000 en 1500, achter de ongenaakbare Skoblikova die dat toernooi een Heidentje deed. In de jaren die volgden was het lastig om die resultaten te herhalen, maar in 1967 wist ze weer afstandsmedailles te pakken op de 1500 en 3 van het WK. In 1968 beleefde ze tijdens de Spelen het hoogtepunt van haar carrière door voor Geijssen (#95) en Kaiser goud te pakken op de 1500 en 2 dagen later ook nog zilver te pakken op de 3 achter Schut (#51). Het leven was echter niet makkelijk als Finse topschaatsster in die tijd. Overdag werkte ze als secretaresse en ’s avonds trainde ze. Zelfs na haar gouden medaille, tot op heden de laatste voor het Finse schaatsen, wilde de bond haar geen betere voorwaarden aanbieden. Hierover was ze zo teleurgesteld dat ze besloot te stoppen. Met 4 Olympische medailles en ladingen Finse titels en records is het niet gek dat ze zo goed als alle Finse (oeuvre)sportprijzen heeft gewonnen die je kan bedenken.

60. Ljoedmila Prokasjeva
Kazachstan, 1990 - 2003

In de jaren ’90 was het als allrounder niet makkelijk om medailles te winnen als je niet uit Duitsland kwam, waardoor Prokasjeva, ondanks dat ze lange tijd goed was, relatief weinig tastbaar succes heeft behaald. In 1990 deed ze al internationaal mee voor de Sovjet-Unie, maar het duurde tot 1995 tot ze, inmiddels voor Kazachstan, haar eerste medailles zou pakken met zilver op het WK Allround, ondersteund door 2 afstandsmedailles, op een straatlengte achter Niemann die alle afstanden won. Een jaar later was er brons op de 3 tijdens het eerste WK afstanden (achter Niemann en Pechstein) en in 1998 was ze de best of the rest op de 5 km van Nagano, mijlenver achter, je raadt het niet, Niemann en Pechstein. Dit is nog altijd de enige Kazachse Olympische schaatsmedaille. Hierna schaatste ze nog lang degelijk door, zonder nog in de prijzen te vallen. Ze kon nooit echt een bedreiging vormen voor de topschaatssters van haar tijd, maar omdat die allemaal uit Europa kwamen, bleek het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de indeling van Kazachstan bij Azië een zegen voor Ljoedmila: in 1996 won ze haar enige internationale titels op de 1500 en 3 bij de Aziatische Winterspelen.

56. Lasma Kauniste
Letland, 1960 - 1975

De laatste reguliere eervolle vermelding gaat naar de beste Letse schaatsster ooit: Lasma Kauniste. Kijkende naar haar naam zou je eerder verwachten dat ze in de lijst zou staan voor Estland, maar dat komt doordat de in Riga als Avotina geboren vrouw was getrouwd met de Est Kauniste. Ze begon in de jeugd als succesvol atlete, maar ontwikkelde zich onder de hoede van Alfons Berzins, de Europees kampioen van 1939, tot talent op de schaats. Kauniste voegde zich in 1969 naar de traditie van Sovjetschaatssters die wereldkampioen werden zonder ooit het NK te hebben gewonnen. In 1967 baarde ze al opzien door met alleen maar 4e en 5e plekken 2e te worden op het WK, 4 punten achter Stien Kaiser, maar in 1969 waren de rollen precies omgedraaid. Dat jaar won ze ook de 1000 meter en pakte ze nog 2 bronzen afstandsmedailles. Hierna kon ze deze resultaten nooit meer evenaren, hoewel er nog wel vele wereldtitels zouden volgen. Ze bleef namelijk tot in de jaren ’10 van deze eeuw masterstoernooien rijden én winnen.

X Maria Isakova (41)
Rusland, 1936 - 1954


Maria Isakova reed haar laatste toernooi in 1954 en heeft daardoor geen ranking in de officiële lijst. Na de oorlog was ze echter dé dominante schaatsster, wat haar in de uitgebreide lijst tot plaats 41 zou hebben gebracht. Ze reed 10 wereldrecords en tussen 1948 en 1950 won ze 3 keer op rij het WK, een prestatie die pas zou worden geëvenaard door Atje Keulen-Deelstra en alleen is verbeterd door Wüst en Niemann. In die jaren won ze 6 van de 12 gereden afstanden en 10 afstandsmedailles in totaal. Hoewel ze van haar 16e (destijds door te liegen over haar leeftijd) tot haar 34e meedeed aan NK’s waren deze 3 WK’s de enige internationale titeltoernooien die ze ooit reed. Voor 1948 had er nog nooit een Russin mee gedaan aan een WK Allround, waardoor Isakova de eerste Russische wereldkampioene was. Ze was daarmee een echte trendsetter. In 1951 won Huttunen (#108) bij afwezigheid van de Russinnen, maar het zou tot 1967 duren voor de Russinnen echt verslagen werden en een rijdster uit een ander land zich tot kampioen zou kronen.

X Randi Thorvaldsen (25)
Noorwegen, 1946 - 1954


Thorvaldsen was 1 van de betere naoorlogse schaatssters, maar stopte net als Isakova te vroeg om een officiële ranking te bemachtigen. In 1947 deed ze bij het eerste WK na de oorlog al mee. In dit toernooi, waar 9 van de 11 deelnemers uit Noorwegen kwamen, won de Finse Lesche alle afstanden, maar Thorvaldsen deed het ook heel prima met 3 tweede plekken, waarna een DNS op de 5 haar van het eindpodium afhield. In de jaren daarna moest Thorvaldsen opboksen tegen de Russische overmacht en zich tevreden stellen met brons op de 1000 in 1948 en op de 500 in 1950. In 1951 waren de Russinnen er niet en zagen de enige andere 2 wereldtoppers, Thorvaldsen en Huttunen, hun kans schoon. Thorvaldsen won weliswaar de 500, maar moest in de rest van dit veredelde tweekamp haar meerdere erkennen in de Finse. Na dit succes volgde een waarschijnlijk nog grotere prestatie, toen ze in 1952 brons won op het WK, met afstandsmedailles op de 500 en 1000, waarbij ze Huttunen en 6 Russinnen achter zich liet. Thorvaldsen werd 9 keer op rij Noors kampioen met in totaal 34 afstandszeges en reed in 1950 een WR op de 1500.
 
Laatst bewerkt:
Tijd voor het echte werk!

50. Irene Schouten
Nederland, 2011 - 2024

We trappen de top 50 af met de succesvolste (?) maratonschaatsster ooit, die ook op de langebaan richting het onverslaanbare ging. Als marathon- en massastarttopper was ze al bekend, toen ze in 2016 haar eerste individuele klassieke medaille pakte met brons op de 5. In de jaren die volgden zou ze weer vooral terugvallen op de pelotononderdelen, tot ze in de coronaperiode definitief en allesverzengend doorbrak. Tussen 2021 en 2024 werd ze op titeltoernooien 2 keer verslagen op de 3 (zilver en brons) en 1 keer op de 5 (zilver) en verder won ze alles, aangevuld met het WK Allround in 2022. Op de afstandslijst van de 5 kilometer bezet ze daarmee de 7e plek. Ze reed vele baanrecords, maar helaas nooit een WR, mede doordat ze gedurende het seizoen vaak niet in topvorm was. Met haar stijl van versnellen in de laatste rondes heeft ze echter wel barrières doorbroken in het vrouwenschaatsen en haar stempel blijvend gedrukt op de lange afstanden. Verder vond ik haar altijd erg nuchter en sympathiek met haar spontaniteit, West-Friese tongval, voorliefde voor de tulpenboerderij van haar ouders en de kermis van Wervershoof. Soortgelijke prestaties van een man zouden altijd hebben geleid tot een Oscar, maar blijkbaar is dat voor een vrouw toch lastiger. Gelukkig heeft ze wel, terecht, de Jaap Eden mogen ontvangen.

49. Jutta Leerdam
Nederland, 2017 - heden

We gaan direct door met een nog groter idool van de huidige generatie, maar wat moet je vertellen over iemand waar iedereen al een mening over heeft? Bij de junioren speelde Leerdam nog 2e viool ten opzichte van Beune (#98), maar ze wist veel sneller de wereldtop te bereiken. Het is de vraag of ze hierbij werd geholpen of juist dwarsgezeten door Koen Verweij, maar feit is dat ze in haar eerste seniorenjaar al NK sprint werd en een jaar later, zeer onverwacht, wereldkampioen. In 2022 waren er een wereldtitel sprint en zilver op de Spelen. 2023 was vervolgens haar absolute topjaar, waarin ze alles won wat los en vast zat op de 1000 en waaraan ze een onoverwinnelijke status heeft overgehouden. Alle andere jaren van haar carrière won ze echter vaker niet dan wel, dus die status is op zijn minst discutabel. Aan de andere kant is Takagi de enige die haar in al die jaren met regelmaat wist te verslaan en dat is ook geen schande. Doordat ze veel op kracht schaatst is ze misschien wat blessuregevoeliger dan anderen, wat haar waarschijnlijk wel wat overwinningen heeft gekost. Voor haar image hoeft ze echter niet te winnen, want ze is overduidelijk de grootste ster van het moment in de sport en wie ben ik om daarover, of over haar smaak qua jongens, een mening te vormen. Haar 3 wereldtitels, 7 overige medailles op wereldniveau en overdaad aan Europese titels spreken voor zich.

48. Irina Jegorova
Rusland, 1962 - 1970

Jullie dachten misschien dat we het merendeel van de Russinnen van vroeger al hadden gehad, maar niets is minder waar. Irina Jegorova is weer typisch zo’n 500-meterspecialiste die de pech had te schaatsen voor het WK Sprint bestond. Op de allroundtoernooien was ze altijd wel goed, maar verloor ze teveel tijd op de langere afstanden om het podium te halen, met 4e plekken in 1963 en 1966 als beste resultaat. Op de Spelen van Innsbruck was er wel succes met zilver op de 500 en 1000 achter Lidia Heiden Skoblikova. Tussen 1963 en 1967 eindigde ze altijd bij de top 2 van de 500 meter, met winst in 1966, en ze pakte nog eenmaal zilver op de 1000. In 1968 was ze over haar top en wist ze geen medailles meer te pakken. Wel schaatste ze in 1969 nog een wereldrecord punten op de sprint (nadat ze in 1963 ook al enkele niet erkende WR’s had gereden op de 500 en 1000). Zoals de meeste Russische topschaatssters ging ze na haar carrière aan de slag als gymlerares en schaatscoach.

47. Chris Witty
VS, 1991 - 2007

Jeetje, nog een sprintster. Witty was direct zeer succesvol op het WK Sprint, met afstandsmedailles bij haar eerste deelname in 1995, winst in 1996 en in de 4 jaar daarna nog tweemaal brons en eenmaal zilver. Haar 500 was relatief zwak, maar dat compenseerde ze ruimschoots met de 1000, waarop ze 4 wereldrecords reed. Op de WK Afstanden waren er zilver en brons op de 1000, maar op de Spelen wist ze, zoals destijds nog het cliché was over Amerikanen, nog beter te pieken met zilver en brons op de 1000 en 1500 in 1998 en in 2002 de Olympische titel op de 1000, waarmee ze de eerste openlijk lesbische winterspelenkampioene werd. Daarna zakte Witty wat weg, maar haar naam was gemaakt en in 2006 mocht Witty, die als wielrenster ook meermaals de Zomerspelen reed, de stars and stripes dragen bij de openingsceremonie, waarmee ze een statement maakte tegen kindermisbruik; iets waar ze zelf spijtig genoeg jarenlang slachtoffer van was geweest. Ik werd me voor het eerst bewust van haar grote bekendheid toen ik een paar jaar geleden een aflevering van Pawn Stars zag, waarbij iemand langskwam met een voorwerp vol handtekeningen van Amerikaanse deelnemers aan de Winterspelen van 2002. De zoon van de eigenaar wilde er echter niet veel voor betalen, want hij kende maar één van de tientallen namen: Chris Witty.

46. Bjorg Eva Jensen
Noorwegen, 1977 - 1988

Noorwegen was voor de oorlog bijna net zo dominant bij de vrouwen als bij de mannen, met drievoudig wereldkampioen Laila Schou Nilsen als absolute topper, daarna zijn Noorse topvrouwen een grote uitzondering. De eerste en enige Noorse die we tegenkomen in de top 50 is Bjorg Eva Jensen. Als junior pakte Jensen van 1977 t/m 1980 vier jaar op rij een medaille bij de WK Junioren (een gedeeld record met generatiegenote Beth Heiden), waarvan goud in 1980, eindigde driemaal bij de top 4 van het WK Allround (brons in 1980), won bij al die WK’s afstandsmedailles op de 3 en pakte in 1980 haar enige echt grote titel: goud op de 3 van Lake Placid. Ze leek daarmee vertrokken voor een dominante periode als absolute wereldtopper, maar dat werd in de kiem gesmoord door de opkomst van de (gedrogeerde) Oost-Duitse dames. In haar neo-seniorjaren wist ze af en toe nog een afstandsmedaille mee te pakken, maar de resultaten werden steeds minder. Toen ze zich in 1988 niet wist te plaatsen voor de Spelen besloot ze op 28-jarige leeftijd te stoppen. Daarna zat ze echter niet stil. Ze bleef medailles winnen bij masterstoernooien, ging de gemeentelijke politiek in en zet zich sinds de zelfmoord van haar zoon in voor een stichting over zelfmoordpreventie. Met Wiklund (#70) heeft ze eindelijk een opvolgster, maar voorlopig is Jensen de enige Noorse schaatsster met Olympisch goud.
 
Laatst bewerkt:
45. Nina Statkevitsj
Rusland, 1969 - 1976

Statkevitsj begon met schaatsen op haar 17e en ging pas internationale toernooien rijden op haar 26e in 1970. Ze had toen het geluk dat er allemaal nieuwe toernooien werden ingevoerd: het EK Allround en WK Sprint, waarbij ze direct goud en zilver pakte. Ook stond schaatsen dat jaar voor het eerst op het programma bij de Universiade, waar ze 3 gouden en 1 zilveren medaille omgehangen kreeg. In datzelfde jaar reed ze ook Medeowereldrecords op de 1500 en vierkamp. Een jaar later was ze de eerste die de EK/WK Allround dubbel voltooide, met ruim 2 en 2,7 punten voorsprong. In de jaren die volgden zou ze eenmaal brons pakken op het WK Allround (1974), driemaal een medaille op het EK en meermaals afstandsmedailles op de WK’s. In een periode dat de internationale concurrentie vanuit o.a. Nederland, Noorwegen, Duitsland, Canada en Amerika steeds verder toenam was Statkevitsj de stabielste Russin, getuige ook haar 4 NK Allroundtitels tussen 1970 en 1974. In 1975 werd ze moeder en na een mislukte comeback in 1976 stopte ze definitief. Ze kon op alle afstanden medailles winnen, maar op de Olympische Spelen kwam ze nooit verder dan plek 5 (1000 en 3 in 1972). Statkevitsj stond tussen 1969 en 1974 drie periodes van in totaal 1126 dagen aan de top van de Adelskalender, waarbij het opvalt dat toen zij in 1969 Ans Schut (#51) aflosde, ze nog nooit een internationaal toernooi gereden had.

44. Erwina Rys
Polen, 1972 - 1989

Brodka was de eerste Poolse man met een internationale medaille, maar toen waren er bij de vrouwen al meerdere wereldtoppers geweest. Al op de eerste Spelen gooiden Pilejczyk (#114) en Seroczynska (#147) hoge ogen. Daarna was het vooral Rys die 2 decennia lang bij de wereldtop hoorde. In 1974 won ze het WK junioren en eindigde ze ook al in de top 10 op de Allround én de Sprint. Een jaar later werd ze 4e bij het allrounden met zilver op de 1500. In de jaren die volgden zou ze voornamelijk succes boeken op de sprint, met bronzen medailles op de WK’s van 1978 en 1985, waarbij ze in 1985 ook de nummer 3 was op de 1000. Toen ze in 1988, op 33 jarige leeftijd, voor het eerst in 7 jaar meedeed aan het WK Allround pakte ze, na haar 4e plek in 1975, eindelijk ook brons op dat WK. Rys deed mee vanaf 1972 en pakte punten tussen 1974 en 1989, reed talloze toernooien, was overal redelijk goed, maar blonk nergens in uit. Op de Spelen reed ze in totaal 16 afstanden met 3 vijfde plekken als beste resultaat. Maar, zoals gezegd, haar kracht lag vooral in hoe lang ze het vol hield en hoeveel ze reed. Na haar pensioen ging ze voor een politieke carrière, maar die verliep een beetje in dezelfde stijl; gedurende 20 jaar deed ze aan bijna alle verkiezingen mee voor allerlei verschillende partijen, maar ze werd alleen in lagere organen zoals de gemeenteraad verkozen. Rys wordt niet vaak genoemd als het over het Poolse schaatsen gaat, maar met wereldmedailles in allround en sprint, 83 nationale titels en 50 nationale records zou dat best wat vaker mogen.

43. Sabine Völker
Duitsland, 1991 - 2006

De eerste van vele, vele Duitsers in de top 50 doet wel een beetje denken aan Rys. De uit Erfurt afkomstige Völker was lange tijd een hele goede sprintster, maar zeker geen veelwinnaar. Op de WK Junioren waren er al medailles in 1991 en 1992, zonder ooit kampioen te worden en ook in de rest van haar carrière zou ze nooit meer een individuele hoofdprijs pakken. Vanaf haar eerste jaar bij de senioren mocht ze wel elk jaar mee naar de grote toernooien, samen met landgenoten als Garbrecht en Schenk (#85), wat al een hele prestatie was. In 1997 pakte ze haar eerste medaille met zilver op de 500 en toen was de medaillekraan toch wel redelijk opengedraaid. In 1998 en 1999 waren er zilver en brons op het WK Sprint en in 2001 zilver op de 1000 (op slechts 0,01 van Garbrecht). Dit was de opmaat naar haar absolute topseizoen 2002, toen ze eerst een WR reed op de 1000 en sprintvierkamp en vervolgens op de Spelen brons (500) en tweemaal zilver (1000 en 1500) pakte. Na dit grote succes nam ze een pauze van 2 jaar waarin ze moeder werd, om in 2005 nog eenmaal brons op het WK Sprint te pakken. Normaal gesproken bespreek ik de ‘nieuwe’ onderdelen niet, maar hier lijkt het me toch wel gepast om even te noemen dat Völker in 2005 en 2006 deel uitmaakte van het gouden achtervolgingsteam en dus ondanks alles toch nog een paar gouden medailles in de kast heeft hangen. Dochter Ashley is inmiddels groot en vooral een langeafstandsspecialiste, die misschien iets minder getalenteerd is dan haar moeder, maar Sabine ongetwijfeld met veel trots vervult.

42. Jennifer Rodriguez
VS, 1998 - 2010

Rodriguez begon ooit als kunstrijdster op skeelers (dat is blijkbaar een ding) en stapte later over naar het inlinen, om in de jaren ’90 met een groep andere inliners, zoals haar destijds toekomstige en inmiddels ex-man KC Boutiette, over te stappen naar de ijsbaan. Ze begon als allrounder, die de eerste vier jaar van haar carrière veel top 10 plaatsen haalde op allroundtoernooien, 1500 en 3000 meters, maar nooit in de medailles wist te komen. Voor de Spelen van 2002 besloot ze echter de focus te verleggen naar de middenafstand: een meesterzet. In Salt Lake pakte ze direct brons op de 1000 en 1500 en in de drie jaar daarna zou ze nog zilver pakken op de 1000 en driemaal brons op de 1500. Ook begon ze WK Sprints te rijden. Waar ze in 2003 nog 5e werd, in 2004 was er al een bronzen medaille en in 2005 behaalde ze haar grote triomf door in Salt Lake Wereldkampioen Sprint te worden, 0,4 punt voor Kotjoega (#117) en Völker. Dit zou haar laatste grote succes zijn. Na 2006 stopte ze om voor Vancouver nog een comeback te proberen, die nooit echt van de grond kwam. Als Cubaans-Amerikaanse vrouw uit Miami liet Rodriguez zien dat je als Amerikaanse niet uit Salt Lake of Milwaukee hoeft te komen om succes te hebben op de schaatsbaan. Het was dan ook erg passend dat ze in 2022 met de eveneens uit Florida afkomstige inliners Jackson (#165) en Bowe na 20 jaar eindelijk opvolging kreeg als Amerikaanse medaillewinnares op de Spelen.

41. Dianne Holum
VS, 1966 - 1972

Alweer de volgende Amerikaanse in de lijst. In eerste instantie was Holum voornamelijk een sprintster, maar later haalde ze haar grootste succes op langere afstanden. Holum debuteerde al op 14-jarige leeftijd (!) als jongste ooit op het WK van 1966. Toen eindigde ze nog als 19e, maar liet ze met een negende plek op de 500 haar potentie al zien. Een jaar later was ze de eerste naoorlogse Amerikaanse die het eindpodium wist te behalen, met brons, aangevuld met afstandsmedailles op de 500 en 1000. In 1968 waren er, op 16-jarige leeftijd, zilver op de 500 (gelijk met 2 andere Amerikaanse dames, Meyers (#199) en Fish (#244)) en brons op de 1000 in Grenoble. In de jaren die volgden waren er ereplaatsen, maar geen medailles, tot ze in 1971 brons pakte op het WK Sprint. In 1972 beleefde ze haar beste jaar ooit met zilver op het WK Sprint en brons op het WK Allround. Op de Spelen pakte ze, nadat ze de vlag al had mogen dragen, zilver op de 3, achter Kaiser. Op de 1500 waren de rollen omgedraaid met goud voor Holum. Na dat toernooi stopte ze op 21-jarige leeftijd, met 4 Olympische medailles, 4 klassementsmedailles en nog een handvol afstandsmedailles op zak. Ze was echter nog niet klaar met de schaatssport en werd onder andere coach van broer en zus Heiden en haar dochter. Kirstin was ook een zeer talentvol juniore, maar stopte al op 18-jarige leeftijd om non te worden.
 
Laatst bewerkt:
Tijd voor het echte werk!

50. Irene Schouten
Nederland, 2011 - 2024

We trappen de top 50 af met de succesvolste (?) maratonschaatsster ooit, die ook op de langebaan richting het onverslaanbare ging. Als marathon- en massastarttopper was ze al bekend, toen ze in 2016 haar eerste individuele klassieke medaille pakte met brons op de 5. In de jaren die volgden zou ze weer vooral terugvallen op de pelotononderdelen, tot ze in de coronaperiode definitief en allesverzengend doorbrak. Tussen 2021 en 2024 werd ze op titeltoernooien 2 keer verslagen op de 3 (zilver en brons) en 1 keer op de 5 (zilver) en verder won ze alles, aangevuld met het WK Allround in 2022. Op de afstandslijst van de 5 kilometer bezet ze daarmee de 7e plek. Ze reed vele baanrecords, maar helaas nooit een WR, mede doordat ze gedurende het seizoen vaak niet in topvorm was. Met haar stijl van versnellen in de laatste rondes heeft ze echter wel barrières doorbroken in het vrouwenschaatsen en haar stempel blijvend gedrukt op de lange afstanden. Verder vond ik haar altijd erg nuchter en sympathiek met haar spontaniteit, West-Friese tongval, voorliefde voor de tulpenboerderij van haar ouders en de kermis van Wervershoof. Soortgelijke prestaties van een man zouden altijd hebben geleid tot een Oscar, maar blijkbaar is dat voor een vrouw toch lastiger. Gelukkig heeft ze wel, terecht, de Jaap Eden mogen ontvangen.

49. Jutta Leerdam
Nederland, 2017 - heden

We gaan direct door met een nog groter idool van de huidige generatie, maar wat moet je vertellen over iemand waar iedereen al een mening over heeft? Bij de junioren speelde Leerdam nog 2e viool ten opzichte van Beune (#98), maar ze wist veel sneller de wereldtop te bereiken. Het is de vraag of ze hierbij werd geholpen of juist dwarsgezeten door Koen Verweij, maar feit is dat ze in haar eerste seniorenjaar al NK sprint werd en een jaar later, zeer onverwacht, wereldkampioen. In 2022 waren er een wereldtitel sprint en zilver op de Spelen. 2023 was vervolgens haar absolute topjaar, waarin ze alles won wat los en vast zat op de 1000 en waaraan ze een onoverwinnelijke status heeft overgehouden. Alle andere jaren van haar carrière won ze echter vaker niet dan wel, dus die status is op zijn minst discutabel. Aan de andere kant is Takagi de enige die haar in al die jaren met regelmaat wist te verslaan en dat is ook geen schande. Doordat ze veel op kracht schaatst is ze misschien wat blessuregevoeliger dan anderen, wat haar waarschijnlijk wel wat overwinningen heeft gekost. Voor haar image hoeft ze echter niet te winnen, want ze is overduidelijk de grootste ster van het moment in de sport en wie ben ik om daarover, of over haar smaak qua jongens, een mening te vormen. Haar 3 wereldtitels, 7 overige medailles op wereldniveau en overdaad aan Europese titels spreken voor zich.

48. Irina Jegorova
Rusland, 1962 - 1970

Jullie dachten misschien dat we het merendeel van de Russinnen van vroeger al hadden gehad, maar niets is minder waar. Irina Jegorova is weer typisch zo’n 500-meterspecialiste die de pech had te schaatsen voor het WK Sprint bestond. Op de allroundtoernooien was ze altijd wel goed, maar verloor ze teveel tijd op de langere afstanden om het podium te halen, met 4e plekken in 1963 en 1966 als beste resultaat. Op de Spelen van Innsbruck was er wel succes met zilver op de 500 en 1000 achter Lidia Heiden Skoblikova. Tussen 1963 en 1967 eindigde ze altijd bij de top 2 van de 500 meter, met winst in 1966, en ze pakte nog eenmaal zilver op de 1000. In 1968 was ze over haar top en wist ze geen medailles meer te pakken. Wel schaatste ze in 1969 nog een wereldrecord punten op de sprint (nadat ze in 1963 ook al enkele niet erkende WR’s had gereden op de 500 en 1000). Zoals de meeste Russische topschaatssters ging ze na haar carrière aan de slag als gymlerares en schaatscoach.

47. Chris Witty
VS, 1991 - 2007

Jeetje, nog een sprintster. Witty was direct zeer succesvol op het WK Sprint, met afstandsmedailles bij haar eerste deelname in 1995, winst in 1996 en in de 4 jaar daarna nog tweemaal brons en eenmaal zilver. Haar 500 was relatief zwak, maar dat compenseerde ze ruimschoots met de 1000, waarop ze 4 wereldrecords reed. Op de WK Afstanden waren er zilver en brons op de 1000, maar op de Spelen wist ze, zoals destijds nog het cliché was over Amerikanen, nog beter te pieken met zilver en brons op de 1000 en 1500 in 1998 en in 2002 de Olympische titel op de 1000, waarmee ze de eerste openlijk lesbische winterspelenkampioene werd. Daarna zakte Witty wat weg, maar haar naam was gemaakt en in 2006 mocht Witty, die als wielrenster ook meermaals de Zomerspelen reed, de stars and stripes dragen bij de openingsceremonie, waarmee ze een statement maakte tegen kindermisbruik; iets waar ze zelf spijtig genoeg jarenlang slachtoffer van was geweest. Ik werd me voor het eerst bewust van haar grote bekendheid toen ik een paar jaar geleden een aflevering van Pawn Stars zag, waarbij iemand langskwam met een voorwerp vol handtekeningen van Amerikaanse deelnemers aan de Winterspelen van 2002. De zoon van de eigenaar wilde er echter niet veel voor betalen, want hij kende maar één van de tientallen namen: Chris Witty.

46. Bjorg Eva Jensen
Noorwegen, 1977 - 1988

Noorwegen was voor de oorlog bijna net zo dominant bij de vrouwen als bij de mannen, met drievoudig wereldkampioen Laila Schou Nilsen als absolute topper, daarna zijn Noorse topvrouwen een grote uitzondering. De eerste en enige Noorse die we tegenkomen in de top 50 is Bjorg Eva Jensen. Als junior pakte Jensen van 1977 t/m 1980 vier jaar op rij een medaille bij de WK Junioren (een gedeeld record met generatiegenote Beth Heiden), waarvan goud in 1980, eindigde driemaal bij de top 4 van het WK Allround (brons in 1980), won bij al die WK’s afstandsmedailles op de 3 en pakte in 1980 haar enige echt grote titel: goud op de 3 van Lake Placid. Ze leek daarmee vertrokken voor een dominante periode als absolute wereldtopper, maar dat werd in de kiem gesmoord door de opkomst van de (gedrogeerde) Oost-Duitse dames. In haar neo-seniorjaren wist ze af en toe nog een afstandsmedaille mee te pakken, maar de resultaten werden steeds minder. Toen ze zich in 1988 niet wist te plaatsen voor de Spelen besloot ze op 28-jarige leeftijd te stoppen. Daarna zat ze echter niet stil. Ze bleef medailles winnen bij masterstoernooien, ging de gemeentelijke politiek in en zet zich sinds de zelfmoord van haar zoon in voor een stichting over zelfmoordpreventie. Met Wiklund (#70) heeft ze eindelijk een opvolgster, maar voorlopig is Jensen de enige Noorse schaatsster met Olympisch goud.

Gevoelsmatig zou ik Irene Schouten (OS: 3x goud, 2x brons; WK Allround: 1x goud; WK Afstanden: 8x goud, 2x zilver, 5x brons) boven Jutta Leerdam (OS: 1x zilver; WK Sprint: 1x goud, 1x brons; WK Afstanden: 6x goud, 2x zilver, 3x brons) zetten.
 
Laatst bewerkt:
Een dergelijke lijst levert natuurlijk altijd voer tot discussie op, welke systematiek je ook hanteert. Asterisk heeft er overduidelijk veel tijd in gestoken en dat valt alleen maar te prijzen. Het betaalt zich bovendien uit met een verzameling zeer goed geschreven stukjes waarin behoorlijk wat bijzondere details de revue passeren. Soms moet ik er flink om lachen (Jutta's smaak qua jongens), dan ben ik weer zeer positief verbaasd (de Witty Pawn Stars anekdote) en in het geval van Bjorg Eva Jensen word ik even stil van. Al met al is dit topic zo vooral weer een feest om te lezen.

Als Ko Savabli kijk ik natuurlijk uit naar waar De Grote en "in principe" onovertroffen Sablikova terecht komt. En in de schaduw wacht LeeMoZovski met smart op het moment waarop Sang-Hwa de zon weer op zijn gezicht tovert.
 
40. Ljoedmila Titova
Rusland, 1966 - 1976

Waar land- en generatiegenote Statkevitsj voornamelijk een allrounder was, die af en toe kon sprinten, was dat bij Titova precies andersom. Bij haar debuut in 1966 haalde Titova al zilver op de 500 (achter Jegorova, we beginnen al vertrouwd te raken met het Sovjet-peloton van de jaren ’60). In 1968 ging ze als kampioen van het land dat de afgelopen 15 edities had gewonnen met grote verwachtingen richting het WK. Ze won weliswaar de 500 en de 1000, maar verloor zoveel tijd op de 3, dat ze het podium niet eens haalde. Gelukkig voor haar hoefde ze op de Spelen de 3, een saaie afstand volgens Titova, niet te rijden en keerde ze huiswaarts met zilver van de 1000 en goud van de 500. In 1970 was ze er bij het eerste WK Sprint op gebrand te laten zien dat dat toernooi op haar lijf geschreven was. Ze won beide 500 meters en werd daarmee afgetekend de eerste wereldkampioen. Een jaar later was ze in topvorm. Met zilver en brons op het EK en WK pakte ze eerst haar eerste en enige allroundmedailles. Op het WK Sprint startte ze uiteraard als topfavoriete, maar een val op de 500 gooide roet in het eten. Wel won ze nog beide 1000 meters. In 1972 maakte ze haar setje Olympische medailles nog compleet met brons op de 500 en won ze nog brons op het WK Sprint. Na zwangerschap probeerde ze vanaf 1974 nog een comeback te realiseren, maar die was, zoals zo vaak, onsuccesvol. Met ook nog 3 wereldrecords op de 1000 (waarvan maar 1 in Medeo), was Titova in haar tijd waarschijnlijk de beste sprintster ter wereld. Titova werd later commentatrice en kon ook heel goed skiën; in 1996 bereikte ze als leidster van een Russische expeditie op ski’s de Zuidpool.

NB. In de jaren ’80 was er nog een Ljoedmila Titova, maar dat was totaal iemand anders.

39. Sang-Hwa Lee
Zuid-Korea, 2004 - 2018

De hoogst genoteerde Koreaanse is de meest gespecialiseerde schaatsster van de top 50. Van de 18 scores die ze heeft gehaald, waren er 14 op de 500. Het zal dan ook niemand verbazen dat Sang-Hwa Lee de nummer 1 is op de afstandslijst voor de 500 meter. Lee was pas net 16 toen ze in 2005 brons pakte op het WK, achter Beixing (#73) en Manli (#103) Wang. In de jaren die volgden zou Jenny Wolf (#52) de 500 meters domineren, maar Lee kwam in die periode langzaam maar zeker dichterbij. In 2009 pakte ze voor het eerst weer brons, maar in 2010 brak ze echt definitief door. Eerst pakte Lee haar eerste, en enige, wereldtitel sprint (er was later nog eenmaal brons). Een maand later won ze in Vancouver de eerste 500 meter, waarna Wolf nog wel wat goedmaakte op de tweede omloop, maar niet voldoende. Hierdoor werd Lee, een dag na landgenoot Tae-Beom Mo bij de mannen, met 0,05 voorsprong Olympisch Kampioen. In 2011 had Wolf nog een opleving, waardoor Lee nog eenmaal genoegen moest nemen met zilver, maar toen was het tijdperk Lee echt aangebroken. Tussen 2012 en 2016 won ze eigenlijk alle 500 meters die ze reed, met alleen een misser in 2015. In 2017 nam Kodaira het stokje over, waarna ze op de Spelen in eigen land nog een laatste zilveren medaille ophaalde. Het beroemde beeld waarop ze in tranen, niet van verdriet, maar van opluchting na al die spanning, en samen met Kodaira over het ijs gaat zal iedereen nog bij staan. Ze was een megaster in Zuid-Korea (hoe vaak hebben we wel niet gehoord dat ze daar meedeed aan Wie is de Mol?) en kon die sterrenstatus ogenschijnlijk goed aan. Min-Seon Kim (#174) heeft de vloek van Lee eindelijk doorbroken voor wat betreft Koreaanse medailles voor voormalig toptalenten, maar haar absurd goede wereldrecord van 36,36 (ze reed er in totaal 4) staat nog fier overeind.

38. Sylvia Burka
Canada, 1970 - 1980

In recente jaren is Canada, zeker bij de vrouwen, 1 van de absolute toplanden, maar de eerste Canadese die lange tijd aan de stop stond was Sylvia Burka. Burka, die Letse ouders had, debuteerde, zoals in die periode vrij gebruikelijk, al op 15-jarige leeftijd op de WK’s van 1970. Op de Spelen van 1972 pakte ze al haar eerste top 10 plek, maar 1973 was echt haar doorbraakjaar. Toen won ze de eerste editie van het WK Junioren en werd 4e op het WK Sprint, alwaar ze 3e beste 500 meterrijdster was. Er volgden wat moeilijkere jaren, door ruzie met Jorrit Jorritsma, die het Canadese team coachte en weigerde haar te laten rijden. In 1976 was het goedgemaakt en was Burka weer op haar best met goud op het WK Allround en brons op het WK Sprint. Op de Spelen kwam ze niet verder dan plek 4 op de 1000, al met al waarschijnlijk haar beste afstand. In 1977 maakte ze ook op het WK Sprint de stap naar de hoogste trede, waarmee ze in hetzelfde jaar als Heiden bij de mannen de eerste vrouw werd die zowel het WK Sprint als WK Allround had gewonnen. In 1979 was er nog eenmaal brons bij het allrounden. Na nog een boel ereplaatsen in 1980, maar weer geen Olympische medaille, stopte Burka na toch al een lange carrière toch op 25-jarige leeftijd. Ze reed gedurende een decennium eigenlijk alle wedstrijden en afstanden die er waren, waarbij ze niet vaak afstanden won, maar het een uitzondering was als ze de top 10 niet haalde. Typisch genoeg reed ze nooit een wereldrecord op een afstand, maar wel op de sprint- en allroundvierkamp. Haar veelzijdigheid blijkt ook uit haar vele nationale titels op de weg, baan en tijdrit in het wielrennen.

37. Gabi Schönbrunn
Duitsland, 1980 - 1988

Als je aan Oost-Duitse schaatssters aan de jaren ’80 denkt is Gabi Schönbrunn (of Zange, zo u wilt), waarschijnlijk niet de eerste naam die bij je opkomt. Toch was zij in de jaren dat de 5 kilometer weer terugkwam op het internationale programma 1 van de eerste echte stayers die meedeed voor de medailles bij de vrouwen. In 1981 brak ze door met brons op het EK Allround en in de jaren die volgden waren er afstandsmedailles op de lange afstanden bij het WK. In 1984 had Schönbrunn haar boerenjaar. Er was brons op het WK en brons op de Olympische 3 in Sapporo, beide keren achter Kania en Ehrig. Deze absolute toppers vonden het echter niet nodig om in het Olympische jaar ook af te reizen naar Medeo voor het EK en Schönbrunn greep die kans met beide handen aan: goud. In de jaren die volgden bleef ze 1 van de beste stayers, met meerdere afstandsmedailles, zilver op het WK van 1985 en brons op de Spelen van 1988 op zowel de 3 als de eerste uitvoering van de Olympische 5. Schönbrunn kon nooit op tegen Ehrig en Kania, maar was gedurende een periode, zeker op de lange afstanden, wel the best of the rest. Vreemd genoeg was de enige Oost-Duitse nationale titel die ze ooit wist te pakken juist de 1500 in 1985. Ze reed in haar carrière 4 wereldrecords op de 3, 5 en vierkamp en stond 7 dagen bovenaan de Adelskalender.

36. Catriona LeMay
Canada, 1989 - 2003

De vierde wereldkampioen sprint van deze kaart, maar in tegenstelling tot bij sommige anderen stond dat zeker niet altijd in de sterren geschreven. Toen het Olympisch seizoen van 1998 aanbrak kon niemand bevroeden dat de 27 jarige Catriona LeMay die al bijna 10 jaar meedeed vanaf dat seizoen een tijdlang de maat der dingen zou worden op de sprint. Geen sprintster maakte zo succesvol de overstap van vaste schaats naar klapschaats. Dat seizoen reed LeMay 8 wereldrecords, waarbij ze de eerste vrouw onder de 38 seconden werd, werd wereldkampioen sprint en won brons en goud op de 1000 en 500 in Nagano. In de jaren die volgden waren er nog 2 wereldtitels op de 500 en 5 andere WK-medailles. In maart 2001 reed ze opnieuw 4 wereldrecords, wat een voorbode was voor opnieuw een zeer succesvol Olympisch jaar. In 2002 lukte het LeMay om, net als die 2 andere 500-metergrootheden Blair en Lee, haar Olympische titel op de 500 te verdedigen. Later heeft ze aangegeven dat ze gigantische druk voelde als regerend kampioen, waardoor ze haar titelverdediging als haar grootste prestatie beschouwt. In dat jaar pakte ze ook haar tweede wereldtitel sprint. In 2003 waren er geen medailles meer, maar de carrière van LeMay was geslaagd. In de jaren daarna zou ze succesvol commentatrice, prestentatrice en later chef de mission van Canada worden. Op de sprintlijst staat ze zesde en bij de afstandslijst 500 meter 8e. Verder zegt het genoeg dat er een Jenny Wolf (#52) voor nodig was om haar 37,22 te verbeteren en dat deze tijd als Nationaal Record nog steeds staat.
 
45. Nina Statkevitsj
Rusland, 1969 - 1976

Statkevitsj begon met schaatsen op haar 17e en ging pas internationale toernooien rijden op haar 26e in 1970. Ze had toen het geluk dat er allemaal nieuwe toernooien werden ingevoerd: het EK Allround en WK Sprint, waarbij ze direct goud en zilver pakte. Ook stond schaatsen dat jaar voor het eerst op het programma bij de Universiade, waar ze 3 gouden en 1 zilveren medaille omgehangen kreeg. In datzelfde jaar reed ze ook Medeowereldrecords op de 1500 en vierkamp. Een jaar later was ze de eerste die de EK/WK Allround dubbel voltooide, met ruim 2 en 2,7 punten voorsprong. In de jaren die volgden zou ze eenmaal brons pakken op het WK Allround (1974), driemaal een medaille op het EK en meermaals afstandsmedailles op de WK’s. In een periode dat de internationale concurrentie vanuit o.a. Nederland, Noorwegen, Duitsland, Canada en Amerika steeds verder toenam was Statkevitsj de stabielste Russin, getuige ook haar 4 NK Allroundtitels tussen 1970 en 1974. In 1975 werd ze moeder en na een mislukte comeback in 1976 stopte ze definitief. Ze kon op alle afstanden medailles winnen, maar op de Olympische Spelen kwam ze nooit verder dan plek 5 (1000 en 3 in 1972). Statkevitsj stond tussen 1969 en 1974 drie periodes van in totaal 1126 dagen aan de top van de Adelskalender, waarbij het opvalt dat toen zij in 1969 Ans Schut (#51) aflosde, ze nog nooit een internationaal toernooi gereden had.

44. Erwina Rys
Polen, 1972 - 1989

Brodka was de eerste Poolse man met een internationale medaille, maar toen waren er bij de vrouwen al meerdere wereldtoppers geweest. Al op de eerste Spelen gooiden Pilejczyk (#114) en Seroczynska (#147) hoge ogen. Daarna was het vooral Rys die 2 decennia lang bij de wereldtop hoorde. In 1974 won ze het WK junioren en eindigde ze ook al in de top 10 op de Allround én de Sprint. Een jaar later werd ze 4e bij het allrounden met zilver op de 1500. In de jaren die volgden zou ze voornamelijk succes boeken op de sprint, met bronzen medailles op de WK’s van 1978 en 1985, waarbij ze in 1985 ook de nummer 3 was op de 1000. Toen ze in 1988, op 33 jarige leeftijd, voor het eerst in 7 jaar meedeed aan het WK Allround pakte ze, na haar 4e plek in 1975, eindelijk ook brons op dat WK. Rys deed mee vanaf 1972 en pakte punten tussen 1974 en 1989, reed talloze toernooien, was overal redelijk goed, maar blonk nergens in uit. Op de Spelen reed ze in totaal 16 afstanden met 3 vijfde plekken als beste resultaat. Maar, zoals gezegd, haar kracht lag vooral in hoe lang ze het vol hield en hoeveel ze reed. Na haar pensioen ging ze voor een politieke carrière, maar die verliep een beetje in dezelfde stijl; gedurende 20 jaar deed ze aan bijna alle verkiezingen mee voor allerlei verschillende partijen, maar ze werd alleen in lagere organen zoals de gemeenteraad verkozen. Rys wordt niet vaak genoemd als het over het Poolse schaatsen gaat, maar met wereldmedailles in allround en sprint, 83 nationale titels en 50 nationale records zou dat best wat vaker mogen.

43. Sabine Völker
Duitsland, 1991 - 2006

De eerste van vele, vele Duitsers in de top 50 doet wel een beetje denken aan Rys. De uit Erfurt afkomstige Völker was lange tijd een hele goede sprintster, maar zeker geen veelwinnaar. Op de WK Junioren waren er al medailles in 1991 en 1992, zonder ooit kampioen te worden en ook in de rest van haar carrière zou ze nooit meer een individuele hoofdprijs pakken. Vanaf haar eerste jaar bij de senioren mocht ze wel elk jaar mee naar de grote toernooien, samen met landgenoten als Garbrecht en Schenk (#85), wat al een hele prestatie was. In 1997 pakte ze haar eerste medaille met zilver op de 500 en toen was de medaillekraan toch wel redelijk opengedraaid. In 1998 en 1999 waren er zilver en brons op het WK Sprint en in 2001 zilver op de 1000 (op slechts 0,01 van Garbrecht). Dit was de opmaat naar haar absolute topseizoen 2002, toen ze eerst een WR reed op de 1000 en sprintvierkamp en vervolgens op de Spelen brons (500) en tweemaal zilver (1000 en 1500) pakte. Na dit grote succes nam ze een pauze van 2 jaar waarin ze moeder werd, om in 2005 nog eenmaal brons op het WK Sprint te pakken. Normaal gesproken bespreek ik de ‘nieuwe’ onderdelen niet, maar hier lijkt het me toch wel gepast om even te noemen dat Völker in 2005 en 2006 deel uitmaakte van het gouden achtervolgingsteam en dus ondanks alles toch nog een paar gouden medailles in de kast heeft hangen. Dochter Ashley is inmiddels groot en vooral een langeafstandsspecialiste, die misschien iets minder getalenteerd is dan haar moeder, maar Sabine ongetwijfeld met veel trots vervult.

42. Jennifer Rodriguez
VS, 1998 - 2010

Rodriguez begon ooit als kunstrijdster op skeelers (dat is blijkbaar een ding) en stapte later over naar het inlinen, om in de jaren ’90 met een groep andere inliners, zoals haar destijds toekomstige en inmiddels ex-man KC Boutiette, over te stappen naar de ijsbaan. Ze begon als allrounder, die de eerste vier jaar van haar carrière veel top 10 plaatsen haalde op allroundtoernooien, 1500 en 3000 meters, maar nooit in de medailles wist te komen. Voor de Spelen van 2002 besloot ze echter de focus te verleggen naar de middenafstand: een meesterzet. In Salt Lake pakte ze direct brons op de 1000 en 1500 en in de drie jaar daarna zou ze nog zilver pakken op de 1000 en driemaal brons op de 1500. Ook begon ze WK Sprints te rijden. Waar ze in 2003 nog 5e werd, in 2004 was er al een bronzen medaille en in 2005 behaalde ze haar grote triomf door in Salt Lake Wereldkampioen Sprint te worden, 0,4 punt voor Kotjoega (#117) en Völker. Dit zou haar laatste grote succes zijn. Na 2006 stopte ze om voor Vancouver nog een comeback te proberen, die nooit echt van de grond kwam. Als Cubaans-Amerikaanse vrouw uit Miami liet Rodriguez zien dat je als Amerikaanse niet uit Salt Lake of Milwaukee hoeft te komen om succes te hebben op de schaatsbaan. Het was dan ook erg passend dat ze in 2022 met de eveneens uit Florida afkomstige inliners Jackson (#165) en Bowe na 20 jaar eindelijk opvolging kreeg als Amerikaanse medaillewinnares op de Spelen.

41. Dianne Holum
VS, 1966 - 1972

Alweer de volgende Amerikaanse in de lijst. In eerste instantie was Holum voornamelijk een sprintster, maar later haalde ze haar grootste succes op langere afstanden. Holum debuteerde al op 14-jarige leeftijd (!) als jongste ooit op het WK van 1966. Toen eindigde ze nog als 19e, maar liet ze met een negende plek op de 500 haar potentie al zien. Een jaar later was ze de eerste naoorlogse Amerikaanse die het eindpodium wist te behalen, met brons, aangevuld met afstandsmedailles op de 500 en 1000. In 1968 waren er, op 16-jarige leeftijd, zilver op de 500 (gelijk met 2 andere Amerikaanse dames, Meyers (#199) en Fish (#244)) en brons op de 1000 in Grenoble. In de jaren die volgden waren er ereplaatsen, maar geen medailles, tot ze in 1971 brons pakte op het WK Sprint. In 1972 beleefde ze haar beste jaar ooit met zilver op het WK Sprint en brons op het WK Allround. Op de Spelen pakte ze, nadat ze de vlag al had mogen dragen, zilver op de 3, achter Kaiser. Op de 1500 waren de rollen omgedraaid met goud voor Holum. Na dat toernooi stopte ze op 21-jarige leeftijd, met 4 Olympische medailles, 4 klassementsmedailles en nog een handvol afstandsmedailles op zak. Ze was echter nog niet klaar met de schaatssport en werd onder andere coach van broer en zus Heiden en haar dochter. Kirstin was ook een zeer talentvol juniore, maar stopte al op 18-jarige leeftijd om non te worden.
Overvallend dat Dianne Holum niet alleen zelf heel jong goed was en jong (21) stopte, haar latere pupillen Eric (21) en Beth (20) ook.

PS: Kan er een / door Bjorg Eva Jensen's o ? Dank !
 
Laatst bewerkt:
35. Beth Heiden
VS, 1976 - 1980

De carrière van Beth is bijna volledig ondergesneeuwd geraakt door haar oudere broer. Toch was ook zij een gigantisch groot talent, dat in een hele korte tijd heel veel medailles bij elkaar heeft weten te schaatsen. Ze debuteerde als 16-jarige al op de Spelen van Innsbruck en pakte dat jaar zilver op het WK Junioren. Een jaar later werd ze nogmaals 2e bij de junioren en haalde op de WK’s ereplaatsen en een zilveren afstandsmedaille op de 3. In de jaren daarna zette ze, nog steeds als juniore, de stap naar de absolute top met tweemaal goud bij de junioren, tweemaal zilver op het WK Sprint en goud op het WK Allround van 1979, waarbij ze op dat laatste toernooi, als een echte Heiden, alle afstanden won, inclusief de 3 kilometer waarop ze eerst nog viel. Hiermee was Heiden de eerste en voorlopig laatste Amerikaanse wereldkampioene allround sinds Kit Klein in 1936. Een jaar later zou ze als eerstejaars senior deze resultaten door een enkelblessure bij de Spelen echter niet kunnen herhalen en was het brons op de 3 haar enige eremetaal. Dat jaar werd ze nog wel 2e bij het allrounden en 3e bij de WK Sprint. De combinatie van haar enkelblessure, de constante vergelijking met haar broer en de druk van buitenaf die daarbij kwam kijken, zorgde ervoor dat ze het wel gezien had met het schaatsen en zich op andere sporten ging focussen. Ze maakte succesvol de overstap naar het langlaufen en wielrennen en hoewel Beth vaak in de schaduw stond van haar broer, lukte het haar in 1980 wel om naast Jaap Eden te komen te staan als enige wereldkampioen op de schaats die wereldkampioen werd op de fiets.

34. Leah Poulos
VS, 1970 - 1980

De jaren ’70 waren een tussenperiode tussen de dominantie van de Russinnen en later ook de Nederlanders in de jaren ’60 en de Oost-Duitsers in de jaren ’80. Er waren vrij veel goede schaatssters, maar niemand was echt dominant. Daardoor zien we een hoop rijdsters uit die periode langskomen in de wat lagere regionen van de top 50, zo ook Leah Poulos. Haar carrière startte tegelijk met het WK Sprint en ze was eigenlijk de eerste topschaatsster die echt puur gespecialiseerd was in het sprinten. Poulos beleefde haar doorbraak in 1972 op de destijds extreem oude leeftijd van 21, toen ze achter Sheila Young 2 keer tweede werd op de 500 van het WK en 6e in het eindklassement. Als pure sprintster reed ze vervolgens de 1500 en 3 op de Spelen (de nationale concurrentie was destijds groot), wat uiteraard zeer onsuccesvol was. Een jaar later waren er geen medailles, maar vanaf 1974 was Poulos gedurende de rest van dat decennium de beste sprintster. In 1974 en 1979 werd ze wereldkampioen en in 1976, 1977 en 1980 werd ze tweede op het WK. Ze miste alleen de podia van 1975 (val) en 1978 (afwezig, omdat ze bezig was met haar huwelijk met Peter Mueller). Op de Spelen van 1976 was er al zilver op de 1000 en in 1980 herhaalde ze die prestatie en pakte ze ook nog zilver op de 500. Haar succesvolste afstand was de 500 meter, waar ze op de WK’s van 1974, 1976 en 1979 ook de beste was, maar ze was vooral als allroundsprintster ontzettend goed, met een 5e plek op de sprintranglijst als resultaat. Toen ze in 1980 definitief stopte deed ze dat vanwege “familiewaarden” en om Muellers carrière te ondersteunen. Gelukkig kon ze nog wel haar eigen ding blijven doen en ze werd onder andere directrice van de Amerikaanse bond en succesvol advocaat.

33. Tatjana Averina
Rusland, 1970 - 1982

Zei iemand wat over schaatssters uit de jaren ’70? Averina begon haar internationale carrière in 1970, maar brak pas door in 1974 met een 2e plek op het WK Allround, ruim achter Atje Keulen-Deelstra. Dat ze de potentie had om de beste ter wereld te worden bleek al toen ze tussen april 1974 en maart 1975 11 Medeowereldrecords schaatste op 500 t/m 1500 meter, allround- en sprintvierkamp. Toch moest ze in 1975 en 1976 nog tweemaal genoegen nemen met zilver op het WK Allround achter Kessow (#127) en Burka en waren er meerdere afstandsmedailles, maar nooit goud. Het absolute toptoernooi kwam er in 1976 uiteindelijk toch, toen Averina op de Spelen van 1976 brons pakte op de 500 en 1500 en goud op de 1000 en 3, waarbij ze op de 1000 sprintspecialisten Poulos en Young achter zich liet en op de 3 een piepjonge Andrea Mitscherlich en Lisbeth Korsmo (#77) met 0,04 en 0,05 voorsprong versloeg. In 1977 nam ze een jaar pauze, zoals zo vaak vanwege een huwelijk en zwangerschap, waarna ze in 1978 eindelijk haar langverwachte gouden medaille mocht ophalen bij het WK Allround, met meerdere afstandszeges. Ondanks dat Averina ook goed uit de voeten kon op de kortere afstanden en viervoudig nationaal kampioene sprint was, behaalde ze nooit succes op het WK Sprint. In 1974 kwam ze dichtbij, toen ze na 2 afstanden op de eerste plek stond, maar ze maakte een wisselfout en werd gediskwalificeerd. Averina heeft 3 periodes van in totaal 1597 dagen aan de top van de Adelskalender gestaan. Ze stierf al op 51 jarige leeftijd aan maagkanker, maar haar naam leeft voort in de schaatsbaan van haar geboortestad Nizjny Novgorod.

32. Tamara Rylova (17)
Rusland, 1954 - 1966


Niet de laatste jaren ’50 Russin, maar wel de laatste schaatsster die op een lagere positie staat doordat de lijst pas begint in 1957. In 1955 verbeterde ze al het wereldrecord op de 1000, vierkamp en 500 meter, waarbij die op de 500 van Laila Schou Nilsen al 18 jaar stond. Dat jaar haalde ze ook haar eerste podiumplaats op het WK, toen ze zilver pakte in het eindklassement, met 3 afstandsmedailles. Tussen 1955 en 1960 zou ze elk jaar op het podium staan van het WK Allround, een prestatie die daarna meermaals werd geëvenaard, maar pas deze eeuw door Pechstein werd verbeterd. Ze won in deze periode 4x zilver, 1x brons en goud in 1959. Ook waren er veel afstandsmedailles, waarvan 4 goud (3x op de 500) en 4 nationale allroundtitels. Rylova was vooral goed op de kortere afstanden, terwijl ze op de 3 zoveel mogelijk de schade moest beperken, zo leidde ze in 1960 na 3 afstanden, maar verloor ze op de 3 meer dan 7 seconde op de uiteindelijke kampioen Stenina. In 1960 deed ze ook mee aan de eerste Spelen. Op de 500 miste ze het podium op een tiende, maar 2 dagen later was er wel succes met brons op de 1000, achter Goeseva (#137) en Haase (#59). Na dit toernooi gingen de resultaten bergafwaarts en wist ze zich bijna niet meer te plaatsen voor internationale toernooien. Alleen in 1964 deed ze nog eenmaal mee aan het WK en direct pakte ze weer de bronzen medaille. Toen de allroundvierkamp in 1955 wijzigde doordat de 5 werd vervangen door de 1500 stond Rylova ineens bovenaan de Adelskalender. Die positie zou ze vasthouden tot 1962, waarmee ze 2402 dagen bovenaan de lijst heeft gestaan, goed voor plek 5 allertijden.

31. Nao Kodaira
Japan, 2006 - 2022

De sympathieke en fenomenale boze kat Kodaira werd in 2010 al 4e op het WK Sprint, maar toen was ze nog niet zo’n explosieve sprintster als ze later in haar carrière zou worden, getuige haar 5e plek op de 1000 en 1500 in Vancouver en haar 12e op de 500. In de jaren die volgden zou ze een subtopper blijven die op de korte afstanden vaak top 10 reed, maar zelden het podium haalde. Toen ze in 2014 overstapte naar het team van Timmer veranderde dit echter en in 2015 pakte Kodaira haar eerste WK-medaille met het brons op de 500 meter. In deze periode leerde ze van Timmer de winnaarsmentaliteit aan en leerde ze voldoende Nederlands om de rest van haar carrière vrij ongemakkelijke interviews met Bert Maalderink te kunnen geven. Eenmaal terug in Japan ging het in 2017 vervolgens echt los. Dat seizoen werd van tevoren gedacht dat de 500 een spannende afstand zou worden, met veel kanshebsters op medailles en toen was daar ineens alleswinnaar Kodaira. De prestaties zijn bekend. Tweemaal goud en eenmaal zilver op het WK Sprint (en een in gewonnen positie door ziekte afgebroken toernooi in 2018), tweemaal goud, tweemaal zilver en eenmaal brons op de WK’s 500 en 1000 en op de Spelen goud op de 500 en zilver op de 1000. In haar laatste jaren werd ze dwarsgezeten door corona en een blessure op de Spelen, waardoor haar gouden tijdperk, waarin ze op de 500 alleen door Herzog (#72) verslagen werd, uiteindelijk maar 4 jaar zou duren. Haar impact op de sport is echter veel groter; ze verlegde grenzen als eerste vrouw die standaard 37 laag reed op laaglandbanen en was samen met Takagi en Johan de Wit (die haar overigens nooit coachte) aanjager van de wederopstanding van het Japanse schaatsen. Ondanks vele pogingen kon ze de 36,36 van Lee nooit verbeteren, maar gelukkig heeft ze wel wereldrecords gereden op de 1000 en de sprintvierkamp. Op de afstandslijst van de 500 staat ze 7e en op de sprint 9e. In 2022 kreeg ze bij het NK voor eigen publiek een kampioenswaardig afscheid.
 
Laatst bewerkt:
Kodaira heeft inderdaad nooit een wereldrecord gereden op de 500 meter, maar wel een WR laagland met 36.94 in Gangneung, en dit staat nu nog steeds. Bijna acht jaar is heel lang, en sinds 1980 hebben er maar vier WRs laagland langer gestaan: De 1:08.33 van Davis, de 6:49.31 van Sablikova, de 4:00.26 van Niemann, en de 34.31 van Wotherspoon. Zelfs Femke Kok is er in Heerenveen nog niet onderdoor gegaan, al lijkt dat nu slechts een kwestie van tijd.

Wat haar vooral goed maakte was dat ze OVERAL hard reed. Femke Kok mag dan wel 36.9 hebben gereden in Heerenveen, maar in Hamar reed ze maar 37.5, en in Obihiro zelfs maar 37.8. Ook op hoogland heeft Kok nog maar 36.8 en 36.9 staan. Kodaira deed dat anders en heeft de volgende tijden gereden:

36.39 - Calgary
36.47 - Salt Lake City
36.94 - Gangneung
37.07 - Stavanger
37.13 - Nagano
37.17 - Heerenveen
37.20 - Inzell
37.23 - Obihiro
37.23 - Changchun
37.25 - Hamar

En dat allemaal binnen twee jaar, allemaal in seizoenen 17-18 en 18-19. Geen WR, maar wel heel veel baanrecords en ook echt snelle baanrecords.
 
Laatst bewerkt:
Kodaira heeft inderdaad nooit een wereldrecord gereden op de 500 meter, maar wel een WR laagland met 36.94 in Gangneung, en dit staat nu nog steeds. Bijna acht jaar is heel lang, en sinds 1980 hebben er maar vier WRs laagland langer gestaan: De 1:08.33 van Davis, de 6:49.31 van Sablikova, de 4:00.26 van Niemann, en de 34.31 van Wotherspoon. Zelfs Femke Kok is er in Heerenveen nog niet onderdoor gegaan, al lijkt dat nu slechts een kwestie van tijd.

Wat haar vooral goed maakte was dat ze OVERAL hard reed. Femke Kok mag dan wel 36.9 hebben gereden in Heerenveen, maar in Hamar reed ze maar 37.5, en in Obihiro zelfs maar 37.8. Ook op hoogland heeft Kok nog maar 36.8 en 36.9 staan. Kodaira deed dat anders en heeft de volgende tijden gereden:

36.39 - Calgary
36.47 - Salt Lake City
36.94 - Gangneung
37.07 - Stavanger
37.13 - Nagano
37.17 - Heerenveen
37.20 - Inzell
37.23 - Obihiro
37.23 - Changchun
37.25 - Hamar

En dat allemaal binnen twee jaar, allemaal in seizoenen 17-18 en 18-19. Geen WR, maar wel heel veel baanrecords en ook echt snelle baanrecords.
een reden waarom je "sinds 1980" gekeken hebt?
 
een reden waarom je "sinds 1980" gekeken hebt?
Omdat je daarvoor veel langstaande wereldrecords hebt omdat afstanden niet officieel gereden werden of er een tweede wereldoorlog was. In het topic voor WB1 ben ik hier wat dieper op ingegaan.
 
Omdat je daarvoor veel langstaande wereldrecords hebt omdat afstanden niet officieel gereden werden of er een tweede wereldoorlog was. In het topic voor WB1 ben ik hier wat dieper op ingegaan.
Van 1947 t/m 1979 is 33 jaar waarin de de klassieke afstanden meestal (altijd?) gereden zijn op de belangrijkste banen.
 
Laatst bewerkt:
Omdat je daarvoor veel langstaande wereldrecords hebt omdat afstanden niet officieel gereden werden of er een tweede wereldoorlog was. In het topic voor WB1 ben ik hier wat dieper op ingegaan.
Hoe lang heeft bijvoorbeeld de 1.14.37 van Heiden (West-Allis 29/12/1979) gestaan?
 
Back
Top