Asterisk
Well-Known Member
Na de positieve ontvangst van de vorige lijst, succesvolste (?) schaatsers, kwamen er verzoeken voor de vrouwelijke versie van deze lijst. Dus zie hier: succesvolste (?) schaatsters!
Een korte samenvatting van de methodiek van de lijst: voor elk jaar wordt per discipline gekeken wat het belangrijkste toernooi was (allround, sprint en de individuele afstanden). Voor deze wedstrijden wordt aan de top 10 punten toegekend, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen het belang van Spelen versus WK's of afstanden versus toernooien. Bij elkaar geven deze scores een beeld van de succesvolste schaatsters in de (recente) geschiedenis. Meer details over de algemene methodiek kunnen doorheen het mannentopic worden gevonden.
Toch zijn er een paar kanttekeningen beduidend anders bij de vrouwen dan bij de mannen. Zeker historisch gezien is het veld bij de vrouwen smaller dan bij de mannen. Ook liggen sprint en allround door het ontbreken van de 10km (en vroeger zelfs van de 5km) dichterbij elkaar, waardoor er veel meer dubbelingen van rijdsters over afstanden en toernooien plaatsvinden. Zeker tot en met de jaren 80 was het niet vreemd als de top 10 op de sprint en zeker op de 1000 ongeveer gelijk was aan de top 10 op het WK Allround. Dit resulteert erin dat in totaal veel minder schaatsters in de lijst staan en de scores, vooral in de top, navenant veel hoger zijn. De glorieuze winst van Kramer in de mannenlijst zou qua puntentotaal bij de vrouwen bijvoorbeeld hebben geleid tot een 6e plek. Deze neiging tot een enorme hoeveelheid dubbelingen leidt er vooral in de jaren 80 toe dat schaatsters die wel goed, maar niet dominant waren, toch heel erg veel punten wisten te scoren, waarmee ze soms een stuk hoger eindigen dan je qua aantal medailles zou verwachten. Daarentegen is de stayersbias die bij de mannen duidelijk aanwezig was hier totaal niet relevant en hebben ook pure sprintsters het erg lastig. Eerder is er sprake van een allrounder/middenlangeafstandsbias. Dit zijn immers precies de rijdsters die aan praktisch elke discipline mee kunnen doen.
Een ander belangrijk verschil ligt in de wedstrijden die worden gereden. Pas sinds 1983 worden er 5 verschillende afstanden gereden op grote toernooien; bij de mannen was dit het geval sinds 1970. Tot 1960 was er daarnaast geen sprake van Olympische Spelen en dat is ook te zien aan de deelnemersvelden van de jaren '50. Als er Russinnen meededen eindigden die bijna zonder uitzondering 1 tot en met 7 en als er geen Russinnen meededen waren er enkel Scandinavische dames aanwezig, terwijl de deelnemersvelden soms niet verder gingen dan een vrouw of 12. Toen de Spelen werden ingevoerd zag je dit echter vrij snel veranderen en werd de sport merkbaar serieuzer genomen internationaal. Daarom laat ik de puntentelling beginnen vanaf 1957; het begin van de Olympische cyclus van 1960, waarin de sport in hoog tempo aan deelnemersveld en internationaliteit won. Voor de rijdsters die (deels) ook daarvoor punten haalden zal ik naast hun officiële positie op deze kortere lijst, ook gewag maken van hun positie als alle toernooien na de Tweede Wereldoorlog waren meegenomen.
Dan worden dit dus de verschillende perioden aan wedstrijden die kunnen worden onderscheiden:
(- 1947 - 1956: Telt alleen officieus. Enkel een WK Allround, dat tot en met 1955 bestond uit een 500, 1000, 3 en 5 en in 1955 de 5 wisselde voor de 1500.)
- 1957 - 1969: Enkel een WK Allround en Olympische Spelen, beide in de afstanden 500 tot en met 3. In de jaren met Olympische Spelen tellen de Spelen en het Allroundklassement, in de tussenliggende jaren beschouw ik de afstandsmedailles van het WK Allround als WK Afstanden.
- 1970-1982: Het WK Sprint komt erbij, hiervan telt het klassement mee. Voor de 500 en 1000 meter geldt nu in niet Olympische jaren een fictief klassementje over de gereden races per afstand van het WK Sprint.
- 1983 - 1987: Het WK Allround verruilt de 1000 voor de 5000 meter. De 5 wordt op de Spelen van 1984 nog niet verreden en dus geldt voor al deze jaren de 5 van het allroundkampioenschap.
-1988 - 1995: De 5 wordt ook op de Spelen gereden en wordt nu dus in elk jaar hetzelfde behandeld als de 1500 en 3.
-1996 - 2020: Jaarlijks WK afstanden wordt ingevoerd. Deze tellen telkens gewoon voor de losse afstanden, van de WK's allround en sprint tellen enkel nog de eindklassementen. In 1998 werden zowel WK Afstanden als Olympische Spelen gehouden. De WK afstanden was toen niet het belangrijkste toernooi en telt dus niet mee.
- 2020 - heden: Om het jaar een WK Sprint en WK Allround. In de oneven jaren zijn er geen klassementen meer op te maken, dus tellen er in deze jaren gewoon minder wedstrijden mee. Ik heb overwogen de massastart toe te voegen, dat zou dit verlies van wedstrijden ook direct deels opvangen, maar (voor nu) is dat niet gedaan.
De kaders zijn uitgezet. Naar goed gebruik begin ik weer met een, wat uitgebreide, reeks aan eervolle vermeldingen alvorens de top 50 te onthullen.
Een korte samenvatting van de methodiek van de lijst: voor elk jaar wordt per discipline gekeken wat het belangrijkste toernooi was (allround, sprint en de individuele afstanden). Voor deze wedstrijden wordt aan de top 10 punten toegekend, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen het belang van Spelen versus WK's of afstanden versus toernooien. Bij elkaar geven deze scores een beeld van de succesvolste schaatsters in de (recente) geschiedenis. Meer details over de algemene methodiek kunnen doorheen het mannentopic worden gevonden.
Toch zijn er een paar kanttekeningen beduidend anders bij de vrouwen dan bij de mannen. Zeker historisch gezien is het veld bij de vrouwen smaller dan bij de mannen. Ook liggen sprint en allround door het ontbreken van de 10km (en vroeger zelfs van de 5km) dichterbij elkaar, waardoor er veel meer dubbelingen van rijdsters over afstanden en toernooien plaatsvinden. Zeker tot en met de jaren 80 was het niet vreemd als de top 10 op de sprint en zeker op de 1000 ongeveer gelijk was aan de top 10 op het WK Allround. Dit resulteert erin dat in totaal veel minder schaatsters in de lijst staan en de scores, vooral in de top, navenant veel hoger zijn. De glorieuze winst van Kramer in de mannenlijst zou qua puntentotaal bij de vrouwen bijvoorbeeld hebben geleid tot een 6e plek. Deze neiging tot een enorme hoeveelheid dubbelingen leidt er vooral in de jaren 80 toe dat schaatsters die wel goed, maar niet dominant waren, toch heel erg veel punten wisten te scoren, waarmee ze soms een stuk hoger eindigen dan je qua aantal medailles zou verwachten. Daarentegen is de stayersbias die bij de mannen duidelijk aanwezig was hier totaal niet relevant en hebben ook pure sprintsters het erg lastig. Eerder is er sprake van een allrounder/middenlangeafstandsbias. Dit zijn immers precies de rijdsters die aan praktisch elke discipline mee kunnen doen.
Een ander belangrijk verschil ligt in de wedstrijden die worden gereden. Pas sinds 1983 worden er 5 verschillende afstanden gereden op grote toernooien; bij de mannen was dit het geval sinds 1970. Tot 1960 was er daarnaast geen sprake van Olympische Spelen en dat is ook te zien aan de deelnemersvelden van de jaren '50. Als er Russinnen meededen eindigden die bijna zonder uitzondering 1 tot en met 7 en als er geen Russinnen meededen waren er enkel Scandinavische dames aanwezig, terwijl de deelnemersvelden soms niet verder gingen dan een vrouw of 12. Toen de Spelen werden ingevoerd zag je dit echter vrij snel veranderen en werd de sport merkbaar serieuzer genomen internationaal. Daarom laat ik de puntentelling beginnen vanaf 1957; het begin van de Olympische cyclus van 1960, waarin de sport in hoog tempo aan deelnemersveld en internationaliteit won. Voor de rijdsters die (deels) ook daarvoor punten haalden zal ik naast hun officiële positie op deze kortere lijst, ook gewag maken van hun positie als alle toernooien na de Tweede Wereldoorlog waren meegenomen.
Dan worden dit dus de verschillende perioden aan wedstrijden die kunnen worden onderscheiden:
(- 1947 - 1956: Telt alleen officieus. Enkel een WK Allround, dat tot en met 1955 bestond uit een 500, 1000, 3 en 5 en in 1955 de 5 wisselde voor de 1500.)
- 1957 - 1969: Enkel een WK Allround en Olympische Spelen, beide in de afstanden 500 tot en met 3. In de jaren met Olympische Spelen tellen de Spelen en het Allroundklassement, in de tussenliggende jaren beschouw ik de afstandsmedailles van het WK Allround als WK Afstanden.
- 1970-1982: Het WK Sprint komt erbij, hiervan telt het klassement mee. Voor de 500 en 1000 meter geldt nu in niet Olympische jaren een fictief klassementje over de gereden races per afstand van het WK Sprint.
- 1983 - 1987: Het WK Allround verruilt de 1000 voor de 5000 meter. De 5 wordt op de Spelen van 1984 nog niet verreden en dus geldt voor al deze jaren de 5 van het allroundkampioenschap.
-1988 - 1995: De 5 wordt ook op de Spelen gereden en wordt nu dus in elk jaar hetzelfde behandeld als de 1500 en 3.
-1996 - 2020: Jaarlijks WK afstanden wordt ingevoerd. Deze tellen telkens gewoon voor de losse afstanden, van de WK's allround en sprint tellen enkel nog de eindklassementen. In 1998 werden zowel WK Afstanden als Olympische Spelen gehouden. De WK afstanden was toen niet het belangrijkste toernooi en telt dus niet mee.
- 2020 - heden: Om het jaar een WK Sprint en WK Allround. In de oneven jaren zijn er geen klassementen meer op te maken, dus tellen er in deze jaren gewoon minder wedstrijden mee. Ik heb overwogen de massastart toe te voegen, dat zou dit verlies van wedstrijden ook direct deels opvangen, maar (voor nu) is dat niet gedaan.
De kaders zijn uitgezet. Naar goed gebruik begin ik weer met een, wat uitgebreide, reeks aan eervolle vermeldingen alvorens de top 50 te onthullen.