Succesvolste (?) schaatsers

261. Haralds Silovs
Letland, 2007-2022

Tenzij ik een Sovjetter uit Riga heb gemist is Silovs de hoogste en enige Let in de lijst. De voormalig shorttracker die jarenlang een vaste waarde was in het allrounden en, voornamelijk, de 1500. In 2018 strandde hij op deze afstand op slechts 3 tienden van het podium op een 4e plek. Los van enkele afstandsmedailles op allroundtoernooien wist hij uiteindelijk nooit een échte prijs te pakken helaas.
Marnix Koolhaas heeft een interessant stuk geschreven over een andere Let, die actief was rond WO-II, Alfons Berzins. Die was pas 31 geweest bij het begin van de metingen (1947) dus had de lijst nog kunnen halen, maar hij zat toen zoals de 10 jaar daarna ook nog in een Russische goelag. Vanaf het moment dat de oorlog zijn intrede doet neemt het verhaal een duistere, nare wending.

Daarvoor ging het dus crescendo met het Letse schaatsen:
In 1937 wordt Berzins negende bij het WK in Oslo en een jaar later in Davos zelfs vierde. De Internationale Schaats Unie, met Rumba intussen als bestuurslid, wijst het EK van 1939 zelfs toe aan Riga: het eerste internationale schaatstoernooi dat in het land zal worden gehouden! Het wordt een memorabel toernooi, dat begin februari in een volgepakt legerstadion op dooi-ijs wordt verreden. Berzins weet zich het best aan te passen aan het zuigende pap-ijs en wint met liefst vier punten voorsprong op de Noorse en Finse favorieten. Letland viert de overwinning alsof het opnieuw onafhankelijk is geworden. Dat Berzins twee weken later in Helsinki de strijd om de wereldtitel door een misslag op de 1500 meter verliest van de Fin Wasenius mag de pret niet drukken. Wekenlang trekt hij als een nationale held door het land. Overal worden propagandawedstrijdjes gehouden waaraan vaak honderden kinderen meedoen. Iedereen met schaatsen, met noren of niet, mag meedoen, en van elke wedstrijd publiceert de nationale sportkrant de complete uitslag.
Het verhaal is samengesteld met behulp van communicatie met onder andere Lasma Kauniste. Dan denk je, dat is toch een Est? Maar dat is een Letse (uit de Sovjet-tijd) met een Estse achternaam doordat ze getrouwd was met een Est. Won in 1969 het WK Allround bij de vrouwen.
 
Van Ids Postma heb ik altijd het idee dat hij dé 1500m rijder van eind jaren 90/begin 00 had kunnen zijn maar niet werd omdat hij zich niet genoeg specialiseerde. Dat zijn WR in Berlijn in november 1997 meteen weer werd gebroken in het veel snellere Calgary door de dan onbekende Overland vond ik flink balen. Net zoals die misslagen in de laatste binnenbocht op de Olympische 1500m toen hij het goud voor het grijpen had. Achteraf bleek zijn ijzer niet orde en was coach Gemser woedend. Postma was namelijk op de 500 meter een paar dagen eerder gevallen en schijnbaar had hij zijn ijzers niet gecontroleerd. In de voorbereiding had Romme gezien dat Postma een keer zijn ijzer had terug gebogen en mogelijk heeft de val het probleem terug gebracht. Het toont ook wel dat hij te nonchalant om ging met dit soort zaken. Op de 1000 meter won hij met goede ijzers vervolgens goud en had misschien geluk dat Sondral toen ziek was.

 
Laatst bewerkt:
30. Havard Bokko
Noorwegen, 2005-2020

Wat mij betreft toch wat hoger dan verwacht: de grote belofte, die altijd de grote belofte is gebleven. In de vroege jaren '00 was het Noorse allrounden op sterven na dood, met enkel nog een paar degelijke stayers als Grodum en Saetre, maar toen had Noorwegen ineens de opvolger van Koss te pakken. In zijn laatste jaar als junior (2006) werd hij niet alleen wereldkampioen junioren, maar werd hij ook al 3e op het EK en hij reed meerdere WR's voor junioren, waarvan vooral die op de 5 kilometer oneindig lang zou blijven staan. De Nederlanders werden ineens weer uitgedaagd door iemand waarvan niemand nou echt zeker wist hoe je zijn naam moest uitspreken. Bukko, Bokko, Beukoe? De grote strijd met Kramer wou alleen nooit echt een strijd worden, omdat Bokko simpelweg nooit won. Hij maakte misslagen op foute momenten, viel, werd gedq'd, of raakte in de zomer geblesseerd bij het uithalen van vreemde fratsen en was vooral altijd net niet goed genoeg. Ontzettend allround was hij wel. Tussen 2008 en 2014 pakte hij 10 medailles op EK's en WK's allround, waarbij hij ook opviel met serieus goede 500 meters. Op de losse afstanden waren er medailles op 1500, 5 en 10. Met als enige Olympische medaille brons op de 1500 in 2010. In 2011 lag de weg open door de afwezigheid van Kramer om eindelijk een keer te winnen, maar ook toen toonde Bokko zich niet killer genoeg. Wel won hij, met 0,05 voorsprong op Davis de 1500 meter, waardoor hij in ieder geval als wereldkampioen door het leven gaat. Toen ook in 2014 geen gebruik kon worden gemaakt van de afwezigheid van Kramer bij het allrounden en de Spelen finaal de mist in liepen, ondanks of dankzij het afzeggen van de 10 kilometer, was duidelijk dat Bokko's tijdperk voorbij was. Hij kwam nog wel terug om de ploegenachtervolging te winnen in 2018, waardoor de 2e herfst van zijn carrière, ondanks tegenvallende individuele prestaties toch nog een mooie glans kreeg. Bokko was sympathiek, misschien wel te sympathiek en toch wel een pechvogel dat hij als misschien wel 1 van de beste allrounders ooit, op moest boksen tegen de beste/succesvolste allrounder ooit. Desondanks staat hij toch 5e op de ranglijst voor allrounders.

29. Kees Broekman
Nederland, 1946-1960

We hebben nog niet veel schaatsers uit de jaren '40 en '50 gezien en verrassend genoeg is het juist Kees Broekman die zich op deze hoge positie heeft gevestigd. Niets ten nadele van Kees Broekman trouwens, hij was een enorme pionier in het Nederlandse schaatser. Zo won hij in 1952 Olympisch zilver op de 5 en 10 en pakte daarmee de eerste Nederlandse medailles op de Winterspelen. Ook werd hij in 1949 2e op het WK (eerste medaille sinds de winst van Coen de Koning in 1905), herhaalde hij dat in 1951 op het EK en won hij zelfs in 1953 het EK (voor Wim van der Voort), als eerste Nederlander ooit. Hij was de eerste rijder op de Vikingschaats en coachte oa Atje Keulen-Deelstra en Göran Claeson. Hij heeft ook nog enkele afstandsmedailles op het WK, maar won nooit een afstand. Toen de Russen mee gingen doen aan de internationale toernooien waren zijn hoogtijdagen voorbij. Hij was dus duidelijk heel goed, maar vergeleken met vele tijdsgenoten die niet in deze top 50 te vinden zijn, heeft hij toch relatief weinig gewonnen. Het is echter zijn enorm lange carrière die hem richting deze positie heeft gestuwd. In een periode dat veel schaatsers maximaal 2 Olympische Spelen meededen reed Broekman er maar liefst 4, iets wat in Nederland pas werd verbeterd door Ritsma. Hij deed mee aan 15 EK's en 13 WK's op rij en haalde daarin talloze, maar dan ook talloze top 10 noteringen. Kees Broekman, de Bart Swings van zijn tijd. In een periode dat Nederland als wintersportland nog bijna non-existent was, was Broekman een echte voorloper, wat ook werd erkend door het NOC: hij mocht 3 keer de Nederandse vlag dragen bij Olympische ceremonies.

28. Khyu-Hyuk Lee
Zuid-Korea, 1994-2014

Nog iemand met zo'n oneindig lange carrière en in dit geval een echte laatbloeier. Lee is de hoogst genoteerde Zuid-Koreaan en de eennahoogste Aziaat in de lijst, die aan de wieg stond van de Koreaanse hoogtijdagen rond 2010, met onder andere Kang-Seok Lee, Joon Mun, Seung-Hoon Lee en Tae-Beom Mo. Begin jaren '90 waren er met Bae, Jaegal en Yoon-Man Kim ook al enkele top Koreanen het internationale schaatsen komen opschudden toen Lee opkwam. In tegenstelling tot die landgenoten leek Lee echter ook de 1500 aan te kunnen. Hij reed zelfs wereldrecords op de 1000 en 1500 in 1997 en 2001. In 2006, toen Lee 28 was had hij al vele top 10 noteringen achter de rug op 500 tot en met 1500, enkele successen in de world cups en wat medailles op de Aziatische Spelen, maar nog altijd geen mondiale medailles. Een echte subtopper, tot hij in 2007 ineens de maat der dingen werd op de sprint. Hij zou tussen 2007 en 2011 4 keer het WK Sprint winnen, de wereldtitel op de 500, 2x zilver op de 500 en 1x brons op de 1000. Het enige WK sprint dat hij niet won was in 2009, toen hij ook nog eens viel en daardoor een zekere medaille verspeelde. In 2012 werd Lee vlak voor zijn 34e nog 2e op het WK Sprint en toen het wel voorbij. Hij bezet de 3e plaats op de lijst voor de sprintvierkamp. Lee had een aparte benadering van topsport, hij had geen moeite met roken, drinken en feesten en vond dat de Nederlanders alles veel te serieus namen. Of die filosofie hem heeft geholpen weten we niet, maar hij heeft er in ieder geval 5 geweldig succesvolle jaren mee beleefd, hoewel hij op de Olympische Spelen nooit verder is gekomen dan een 4e plek.

27. Boris Sjilkov
Rusland, 1953-1960

Nog een jaren '50 man, maar dit keer een veelwinnaar met een korte carrière. Na de oorlog deden de Sovjetatleten tot en met het EK Allround van 1953 niet mee aan internationale toernooien. Twee weken later stroomden ze echter wel in op het WK en de impact op het internationale schaatsen was enorm. In het decennium dat volgde zou de Sovjet-Unie het dominantste schaatsland zijn. In 1953 was Sjilkov 26 en op voornoemde EK pakte hij direct zilver in het klassement, goud op de 1500 en zilver op de 500. De 1500 was duidelijk zijn beste afstand en dat zou zo blijven: hij won in de jaren die volgden de meerdere 1500 meters op WK's en pakte daarnaast afstandsmedailles op 500 en 5. In 1954 leidde dat tot klassementswinst op het EK en WK Allround en in 1955 en 1957 pakte hij nog respectievelijk brons en zilver op het WK. Zijn grote succes op de Olmpische Spelen kwam verrassend genoeg niet op de 1500, maar op de 5: in 1956 pakte hij bij zijn enige deelname de gouden medaille op die afstand, 8 seconde voor Sigge Ericsson. Op de 5 reed Sjilkov ook zijn enige wereldrecord. Toen hij in 1958 stopte met internationale toernooien schaatste hij klaarblijkelijk nog wel door, want hij reed nog enkele PR's in 1960 waardoor hij, nadat hij het merendeel van de tijd sinds 1955 al bovenaan had gestaan, opnieuw bovenaan de Adelskalender terecht kwam. In totaal stond hij maar liefst 1518 dagen op deze positie.

26. Geir Karlstad
Noorwegen, 1982-1992

De eerste van 3 superstayers die achter elkaar staan in de lijst. Karlstad werd al in 1982 wereldkampioen junioren, maar als echte stayer zou hij pas in 1989 zijn enige 2 allroundmedailles pakken: 2 keer brons. In de jaren daarvoor en daarna pakte hij wel enorme hoeveelheden afstandsmedailles op de 5 en de 10, waaronder 3 keer goud op de WK's van 1985, 1986 en 1987 op de 10 en brons op de 5 in 1985 en 1987. Ook reed hij in die periode 5 wereldrecords op die 2 afstanden. De Spelen van 1988 startte hij als grote favoriet, maar het ging helemaal mis. Hij werd 7e op de 5 en viel op de 10. In 1989 won hij wel weer gewoon de 10 op het WK en haalde hij dus zijn 2 medailles op het allrounden. In de jaren die volgden was hij niet meer zo dominant als eerst, maar in 1992 haalde hij wel zijn gram op de Olympische Spelen. Hij won de 5 kilometer, voor Zandstra en Visser en haalde een week later brons op de 10, achter Veldkamp en Koss. Dit bleek zijn laatste kunstje te zijn geweest, want door een rugblessure zou hij nooit meer een grote wedstrijd rijden. In 1997 reed hij nog wel de Elfstedentocht uit. Op de afstandslijst voor de 10 kilometer bezet Karlstad de 6e plaats. Hij was de constantste stayer van zijn generatie, en bij het stayergekke Oscarcomité weet je het dan al wel: in 1986 won hij die prijs.
 
Laatst bewerkt:
Van Ids Postma heb ik altijd het idee dat hij dé 1500m rijder van eind jaren 90/begin 00 had kunnen zijn maar niet werd omdat hij zich niet genoeg specialiseerde. Dat zijn WR in Berlijn in november 1997 meteen weer werd gebroken in het veel snellere Calgary door de dan onbekende Overland vond ik flink balen. Net zoals die misslagen in de laatste binnenbocht op de Olympische 1500m toen hij het goud voor het grijpen had. Achteraf bleek zijn ijzer niet orde en was coach Gemser woedend. Postma was namelijk op de 500 meter een paar dagen eerder gevallen en schijnbaar had hij zijn ijzers niet gecontroleerd. In de voorbereiding had Romme gezien dat Postma een keer zijn ijzer had terug gebogen en mogelijk heeft de val het probleem terug gebracht. Het toont ook wel dat hij te nonchalant om ging met dit soort zaken. Op de 1000 meter won hij met goede ijzers vervolgens goud en had misschien geluk dat Sondral toen ziek was.

Ik denk dat Postma zowel de 1500m als het allrounden zou hebben gedomineerd als.... de klapschaats niet was uitgevonden. Hij is er nooit een liefhebber van geweest en ik heb hem destijds wel eens horen zeggen dat ze wat hem betreft "die dingen nooit uitgevonden hoefden te hebben" Zeker zijn 500m heeft altijd geleden onder de klapschaats. Die was gewoon minder dan op vaste schaatsen. Dat Postma geen materiaal freak was als Ritsma of Veldkamp klopt wel. Dat boeide hem gewoon niet.
 
Heerlijk topic dit! Er zit veel liefde voor de sport in en dat lees ik graag. Het doet me denken aan het boek "Schaatsen Top 100" uit 2008 van Gerard Sierksma en Huub Snoep. Asterisk verwend ons met zijn eigen top 50 en prima geschreven stukjes. Intussen tellen we langzaam af naar de top 10 en de nummer 1. En tussendoor komt er af en toe een mooi stukje van iemand anders tussendoor, zoals nu over Jan Bos, Alfons Berzins en Ids Postma. Benieuwd wie er nog allemaal langs gaan komen.
 
25. Gianni Romme
Nederland, 1992-2006

Ik had een rijtje superstayers beloofd en De man van Mars is de volgende in die categorie. Romme kwam op relatieve late leeftijd als een komeet opzetten; sinds 1992 deed hij mee aan de NK's, maar pas in 1996 boekte hij succes met de Nationale titel op de 5. Hij mocht meedoen aan het eerste WK afstanden in '96, waar hij vervolgens direct goud (10) en brons (5) pakte. Romme was vertrokken voor een extreem succesvolle reeks die ongeveer zou duren tot 2003. Tot en met 2001 zou hij op de 10 kilometer alleen in 1999 geen goud pakken (maar zilver) en op de 5 begon het nog rustig met brons en zilver, maar volgde daarna ook een reeks van 3 gouden medailles op rij. Dit is inclusief Olympische Spelen in Nagano waar hij, in kenmerkende stijl, met enorme voorsprong beide afstanden won. Als stayer pur sang (hij zou nooit iets korter dan 5000 rijden op een WK Afstanden) had hij op een 15e plaats op het EK na nog nooit wat laten zien in het allrounden. Vanaf 2000 zou dat echter veranderen, doordat zijn korte afstanden in die periode sterk verbeterden, waardoor hij op de lange afstanden het gat kon overbruggen. Hij won in 2000 en 2003 het WK en in 2003 ook nog eens het EK, waarbij hij op die laatste zelfs de 1500 nog won. In die jaren waren zijn resultaten op individuele afstanden wel wat minder geworden: brons op de 5 in 2001 en zilver op de 10 op de Spelen van Salt Lake. De ster van Romme was wat aan het doven en in 2004 pakte hij met een bronzen 5 kilometer zijn laatste grote prijs; op de 10 kwam hij niet verder dan plek 9, iets wat 5 jaar eerder ondenkbaar was geweest. Op de afstandslijsten van 5 en 10 staat hij respectievelijk 7e en 8e. Als wereldtopper in de beginjaren van de klapschaats waren er natuurlijk alle mogelijkheden om records te rijden en dat deed hij dan ook graag en veel: 8 stuks in totaal, waarbij hij de eerste was die onder de tijden van Koss dook. Op de 5 zou hij het record in totaal 15 seconde verbeteren, op de 10 zelfs 30, waarbij het toch jammer is dat hij met 13.03 net de 13 minuten grens aan Uytdehaage moest laten. Wat voor Karlstad gold geldt natuurlijk ook voor Romme: de Oscar kwam hem toe in 2000.

24. Jorrit Bergsma
Nederland, 2011-heden

De laatste en dus hoogst genoteerde in het stayerrijtje. Hoewel Bergsma nooit de dominantie heeft gekend van Romme en Karlstad heeft hij wel over een hele lange periode successen gekend, waardoor hij toch, heel nipt, boven de andere 2 is geëindigd. Ik weet te weinig van marathonschaatsen om daar iets zinnigs over te zeggen, maar volgens mij was Bergsma al redelijk succesvol toen hij samen met Groeneveld, Hadders en Stroetinga op het vreemde idee kwam om voor Kazachstan te gaan rijden. Destijds vond ik dat een heel stom plan en dat vind ik eigenlijk nog steeds, dus gelukkig liep dat helemaal de mist in. Uiteindelijk bleek het ook helemaal niet nodig, want reeds in 2012 pakte Bergsma zilver op de 10. In die jaren was Kramer eigenlijk nog onverslaanbaar op de 5 en de 10 en het was Bergsma die als eerste de stap zette om Kramer te verslaan, door hem 2 seconde voor te blijven op het WK van 2013. Tijdens de legendarische rit in Sotsji in 2014 deed hij dat nog eens dunnetjes over (wat hem de Oscar opleverde) en in 2015 maakte hij er 3 op een rij van. In diezelfde periode pakt hij 2 maal zilver en eenmaal brons op de 5. In die jaren was hij dé grote rivaal van Kramer (een rivaliteit die die met Bokko oversteeg, simpelweg omdat Bergsma wel geregeld won), waarbij het er ook naast het ijs, mede dankzij de betrokkenheid van Jillert Anema, hard aan toe ging, tot uitsluitingen van de ploegenachtervolging en klachten over gesnuif aan toe. Achteraf gezien is dat zijn echte topperiode geweest, want in de jaren die volgden werden er weliswaar nog 8 medailles gewonnen, waaronder 2 keer goud op de 10, hij zou toch nooit meer zo consistent topfavoriet zijn als daarvoor. Uiteindelijk zal Bergsma dat waarschijnlijk worst wezen, want met zijn prijzenkast op de marathon en de massastart erbij heeft hij, voor iemand voor wie de 5 eigenlijk al te kort was (hij staat 2e op de lijst van de 10 en "slechts" 8e op de 5), absoluut alles uit zijn carrière gehaald. En de medailles op de korte afstanden zijn in huize Bergsma ook afdoende aanwezig, met dank aan vrouwlief.

23. Göran Claeson
Zweden, 1968-1975

De hoogst genoteerde Zweed in het lijstje was 1 van de sterkste concurrenten van Ard en Keessie. Waar Gustafson en Nilsson echte stayers waren, was Claeson een echte allrounder, die op geen enkele losse afstand er ooit echt bovenuit stak. In 1968 reed hij anoniem rond op de Spelen, als eerste internationale toernooi, maar in 1969 begon zijn carrière eigenlijk pas echt, met brons op het EK en zilver op het WK. Ook in 1970 en 1971 werden er nog medailles gepakt op EK (1x brons) en WK (1x zilver). Als echte allrounder won hij niet zo heel veel afstandsmedailles, maar op de 1500 en 5 was er af en toe succes. Daarnaast reed Claeson ook heel verdienstelijk mee in de beginjaren van het WK Sprint, waar hij in 1970 zelfs de beste 1000 meterrijder was en eindigde op de 5e plek. Op de Spelen van Sapporo pakte hij zijn enige medaille op de 1500 met brons. Zoals we eerder ook al zagen kwam er toen ineens meer ruimte, doordat veel toppers de professionele toer van Jonny Nilsson opgingen, waardoor Claeson in 1973 zijn absolute topjaar kon beleven met goud op EK en WK (waar hij de 5 en 10 zelfs won). Dit topjaar leverde hem ook de Oscar op. Ook in 1974 won hij nog het EK en brons op het WK, maar toen was de koek op. Hoe allround Claeson was blijkt ook wel uit het feit dat hij nooit een afstandswereldrecord reed, maar wel het WR grote vierkamp in 1969.

22. Patrick Roest
Nederland, 2014-heden

Toen Roest net opkwam zaten we nog volop in de heerschappij van Kramer en jarenlang leek het er niet op dat Roest ooit de stap zou zetten om hem te gaan verslaan. Kramer klaagde in die periode, al dan niet terecht, over heb gebrek aan inzet van de nieuwe generatie schaatsers, waarbij de kans groot is dat hij Roest bedoelde. Nadat Roest in 2017 2e was geworden op het WK Allround leek hij toch de stap te hebben gezet, maar een groot ongeluk met een tractor dreigde roet in het eten te gooien richting de Spelen. Roest was net op tijd terug om op de Spelen verrassend zilver te winnen en toen hij een maand later in Amsterdam handig gebruik maakte van de val van Pedersen om Wereldkampioen Allround te worden was duidelijk dat er met Roest een nieuwe wereldtopper was opgestaan. In 2019 liet hij zich nog in de luren leggen door Kramer op het EK, maar daarna was het allrounden toch echt van Roest met in totaal 3 Wereldtitels en 2 Europese titels (waarbij hij het nadeel had dat de toernooien ineens nog maar om het jaar werden gereden natuurlijk. Op de losse afstanden wilde het alleen telkens maar niet lukken, er waren vele medailles maar of door eigen falen, of door topwedstrijden van anderen was er nooit goud. Toen Nils van der Poel Roest ineens begon te verslaan en Roest dus weer achterbleef met 2 keer zilver op de Spelen en zelfs zilver op het WK Allround leek het erop alsof hij nooit meer zou gaan winnen, maar VdP besloot direct weer te stoppen en dat bracht Roest in 2023 eindelijk dat langverwachte individuele goud op de 5 kilometer. In 2024 verdedigde hij zijn titel, waardoor hij toch met recht een veelwinnaar genoemd mag worden. Hoewel de 5 en het allrounden (hij staat 7 op de allrounderslijst) zijn specialiteiten zijn heeft hij meerdere medailles gewonnen van 1500 tot en met 10 en is hij dus een volwaardige opvolger van allrounders als Schenk, Ritsma en Kramer. Hij staat momenteel eerste op de Adelskalender, waarmee hij eindelijk Davis van de troon stootte, en reed in 2019 het WR grote vierkamp, maar won helaas nooit de Oscar. Hopelijk komt hij volgend jaar nog terug, zodat hij de strijd nog aan kan gaan met zijn natuurlijke opvolger Eitrem, zoals Roest ooit zelf de strijd aan ging met Kramer.

21. Jevgeni Grisjin
Rusland, 1954-1968

Ik hintte er al eerder op dat er maar 1 sprinter is uit de periode van voor het WK Sprint die de top van de lijst heeft gehaald en dat is natuurlijk Jevgeni Grisjin. Grisjin is de hoogste echt Rus in de lijst, hoewel er nog wel meerdere Sovjetrijders langs gaan komen. Hij was gedurende de jaren '50 en het begin van de jaren '60 de beste sprinter/middenlangeafstandsrijder ter wereld en als er toen een 1000 meter en WK Sprint waren geweest zou hij waarschijnlijk in de top 5 van deze lijst hebben gestaan. Hij kwam op in 1954 toen de Russen net begonnen waren met deelnemen aan het internationale schaatsen en won direct goud op de 500, zilver op de 1500 en brons in het eindklassement. Ook in 1956 zou hij nog brons winnen in het klassement en zelfs goud op het EK, maar verder waren zijn lange afstanden eigenlijk te slecht om serieus mee te doen in de klassementen. Hij moest het dus hebben van de losse afstanden en dat deed hij dan ook: door zowel in 1956 als 1960 goud te winnen op de 500 én de 1500 is hij de enige rijder ooit die op 2 afstanden zijn titel heeft verdedigd (hoewel hij op beide 1500 ex aequo op 1 eindigde. Ook in 1964 pakte hij op de Spelen nog zilver op de 500 en in 1968 werd hij op 37 jarige leeftijd nog 4e. Tussendoor waren er ook meerdere jaren waarin hij niet meedeed, maar dat weerhield hem er niet van om onder andere een handvol 500 meters te winnen op het WK, kp 14 allroundtoernooien in totaal 12 gouden afstandsmedailles te pakken en samen met Stolz en Heiden de enige naoorlogse 500 meter wereld/olympisch kampioen te zijn die een allroundtoernooi wist te winnen. Op de afstandslijst van de 500 meter staat Grisjin 2e en hij reed in totaal 7 wereldrecords (die echt ontzettend lang stonden overigens, zijn record op de 1000 stond 12 jaar), waaronder de beroemde 39,6 in 1963, waarmee hij de eerste rijder onder de 40 seconde werd.
 
Laatst bewerkt:
We komen morgen aan bij de top 20 van deze lijst der lijsten. Bij die andere lijst der lijsten wordt altijd gezegd dat het steeds beter wordt naarmate de lijst vordert, maar daar ben ik het er eigenlijk nooit zo mee eens. Hier daarentegen is het wel echt duidelijk dat we de steeds grotere kampioenen treffen. Inmiddels zal je toch echt veelwinnaar van eremetaal en eigenlijk van goud moeten zijn om je in deze regionen nog te kunnen handhaven. Door de hoeveelheid onderdelen waarop punten kunnen worden gepakt is het hierbij een voordeel om allrounder te zijn t.o.v. sprinter, wat we terugzien in deze top 20. In de onderste regionen zullen we vooral veel sprinters aantreffen, terwijl we bovenin vooral allrounders gaan tegenkomen.

Maar toch, zulk soort vuistregels kunnen natuurlijk alleen maar bestaan bij gratie van uitzonderingen. Wie gaan er nog komen? Voor de meeste doorgewinterde schaatsliefhebbers op het forum moet het inmiddels bijna wel mogelijk zijn om een inschatting te maken van de namen die nog missen, maar de volgorde... tsja, het blijft spannend!
 
20. Dan Jansen
VS, 1983-1994

Het verhaal van Dan Jansen is misschien wel het meest vertelde verhaal uit het schaatsen. De man die altijd als topfavoriet aan de Spelen startte, het telkens niet haalde om allerlei redenen (overlijden van zijn zus, valpartijen, slechte ritten), en toen in 1994 alsnog de 1000 wist te winnen. Amerikaanser wordt het niet. Maar hoewel hij inderdaad medaillekandidaat was, was het niet zo dat hij voor de rest wel dé dominante sprinter was van die tijd. Hij was eigenlijk 1 van de 3 grootste namen in die periode; Mey hebben we al gezien, de 3e komt nog. In 1984 werd hij op 18 jarige leeftijd, onder de auspiciën van Bob Corby (!), al 4e op de 500 in Sarajevo en een jaar later pakte hij al brons op het WK Sprint. In de jaren die volgden was hij vooral op de sprintklassementen en de 500 meter top, met zilver in 1986 en winst op het WK Sprint van 1988 en meerdere afstandsmedailles/zeges. Het verhaal van de Spelen in 1988 is bekend en in de jaren daarna werd het lastiger, o.a. door toenemende concurrentie uit Azië. Hierdoor greep Jansen vaak net naast de prijzen, hoewel er, vooral op de 500 nog wel veel afstandsmedailles waren. In 1992 wist hij eindelijk weer eens zilver te pakken op het WK en in dat jaar 1992 zette hij ook de stap naar het rijden van Wereldrecords. En hoe, in de 2 jaar die volgden zou hij in totaal 5 records op de 500 en 1 op de 1000 rijden. Hij was de eerste de onder de 36 seconden zou rijden en pas nadat hij dat al 4 keer had gedaan zou het iemand anders ook lukken. 1994 werd uiteindelijk zijn grote jaar, met zijn 2e titel op het WK Sprint, een half punt voor op nummer 2 Klevtsjenja, en natuurlijk het goud, in een WR in Hamar op de 1000. Hij was pas 28 toen hij stopte, maar toen had hij er dus al een superstabiel decennium opzitten, wat hem naar de 4e plek in het sprintklassement en de 8e op de 500 brengt. En als echte Amerikaan moet je natuurlijk wel stoppen op je hoogtepunt.

19. Erben Wennemars
Nederland, 1995-2014

Toen Jan Bos als eerste Nederlander ooit wereldkampioen sprint werd, debuteerde Wennemars met een 3e plek. Uiteindelijk zou de wilde Wennemars dat topniveau veel langer vasthouden en daardoor ook veel meer winnen dan de stylist Jan Bos. Dit is niet voldoende bewijs voor een hele theorie, maar ik heb het idee dat sporters die er harder voor moeten werken, vaak meer succes hebben dan de natuurtalenten voor wie alles komt aanwaaien. Wennemars was relatief uniek als rijder die op de 500 tot en met de 1500 medailles won. De Spelen in 1998 liepen in de soep doordat hij onderuit werd geschoffeld door Grunde Njos (die overigens op plek 237 staat in de lijst) en in de jaren die volgden waren er wel een zilveren medaille op de 500 en een bronzen op de 1500, maar eigenlijk was Wennemars toen nog een subtopper. Pas in 2003 werd Wennemars foto-op-de-koelkastwaardig door brons op het WK Sprint en 500 meter en titels op de 1000 en 1500. In de jaren die volgden waren er nog goud op de 1000, brons op de 1500 en 2 sprintwereldtitels, waarmee Wennemars de eerste Nederlander werd die zijn titel wist te verdedigen (ik weet het, iedereen is altijd wel ergens de eerste mee, maar je moet toch wat statistieken verzinnen voor dit soort stukjes). In 2006 was er dan eindelijk die Olympische medaille met brons op de 1000 en ook in 2007 was er nog eremetaal op de 1500. In die periode reed hij ook zijn enige officiële afstandswereldrecord, toen hij Davis op meesterlijke wijze evenaarde. Wennemars is ook een mooi voorbeeld dat niet elke veelwinnaar ook Olympisch Kampioen wordt, er staan in totaal 5 rijders in deze top 20 die dat niet hebben gehaald. Hij probeerde ook nog te allrounden wat zeer bewonderenswaardig, maar geen heel groot succes was. Kijkend hoe laat Wennemars pas een echte wereldtopper werd heeft zijn zoon nog alle tijd om die stap te zetten.

18. Gaétan Boucher
Canada, 1975-1988

De eerste Canadese man die echt een stabiele wereldtopper wist te worden was volgens de verhalen van origine een shorttracker. Dat zal best zo zijn, maar hij deed op zijn 16e al mee aan het WK Allround, toen hij nog 3 deelnames aan het WK Junioren te gaan had, dus echt een late instromer was hij nou ook weer niet. Als B2-junior werd hij vervolgens al 6e op de 1000 in Innsbruck en in zijn eerste jaar als senior (1979) pakte hij al zilver op het WK Sprint. Hij moest het op het WK voornamelijk hebben van de 1000 meter, zijn 500 was nooit echt goed. In deze periode moest hij natuurlijk opboksen tegen Heiden, dus ook in 1980 waren zilver op het WK en de 1000 op de Spelen zijn deel. Toen Heiden stopte kwam er ineens ruimte om dingen te winnen, maar hoewel hij de beste 1000 meterrijder van het WK van 1981 was weerhield een val op de 500 Boucher ervan om hier gebruik van te maken. Na nog een 2e plek in 1982, was het in 1984 eindelijk raak. Wereldkampioen sprint, mede doordat hij ook eindelijk weer eens top 500 meters reed en op de Spelen van Sarajevo 2 keer goud (1000, 1500) en 1x brons. In dat jaar kreeg hij ook de Oscar, als 2e sprinter ooit (na Koelikov in 1975). In 1985 was er nog zilver op het WK (hij bezet plek 8 op de sprinterslijst). Daarna ging hij nog door tot zijn 4e Spelen in 1988, maar top 5 plekken waren tegen die tijd het hoogst haalbare. Wereldrecords waren in het Medeotijdperk natuurlijk lastig te rijden voor een niet-Rus, maar in 1981 lukte het toch een keertje op de 1000 meter. Dat dit zijn beste afstand was blijkt ook wel uit zijn 4e plek op die afstandslijst. Op de 1500 had hij misschien ook wel wat meer potten kunnen breken, maar hij was echt geen allrounder en deed daardoor vaak ook niet mee aan de WK's, waardoor hij maar weinig kansen had op eremetaal. Hij had wel een hoog Mathieu van der Poel gehalte als wereldkampioen in meerdere disciplines: in 1977 en 1980 werd hij wereldkampioen tijdens de beginjaren van het WK Shorttrack.

17. Hjalmar Andersen
Noorwegen, 1948-1956

Ik was een jaar of 10 geleden in Trondheim en daar stuitte ik, wat achteraf, op een pleintje aan het water ineens op een standbeeld van Hjalmar Andersen. Ik kende zijn naam wel, maar daar hield het wel ongeveer bij op. Nu weet ik wel beter, want Andersen was na de oorlog de eerste megakampioen. Hij was al 24 toen hij in 1948 net als 6 anderen een DNF achter zijn naam kreeg op de 10. Een jaar later werd hij al 2e op het EK en reed hij een wereldrecord op de 10. Toch kwam de echte piek pas tussen 1950 en 1952 toen hij zo goed als onverslaanbaar was. Hij won in die periode 3x het EK, 3x het WK, alle afstandszeges op 5 en 10 en in het Bislett de Olympische Titels op de 1500, 5 en 10. Op de 1500 kwam Wim van der Voort nog tot op 0,2 seconden, maar op de 5 en 10 was de dominantie compleet met gaten van 11 en 24 seconde naar Kees Broekman. Dat laatste is nog steeds het grootste gat op de Spelen ooit. In 1952 won hij ook nog het EK met het grootste verschil ooit (ruim 4 punten, weer richting Broekman) en in 1951 had hij op het WK een gat van bijna 4 punten naar Cronshey. Hij reed in die periode nog 2 wereldrecords op de 10 en eentje op de 5, wat hem van 1952 tot en met 1954 708 dagen aan de top van de Adelskalender hield. Na zo'n periode van overmacht kan ik begrijpen dat je er als amateur een beetje klaar mee bent, dus stopte Andersen. Het begon echter toch snel weer te kriebelen, maar toen hij terugkwam had hij ineens te maken met een enorme hoeveelheid Sovjetrijders die hem voorbij waren gestreefd. Hij wist nog wel wat medailles te pakken her en der, maar terugkomen op zijn oude niveau was ondenkbaar en na teleurstellende 6e en 11e plekken op de Spelen van '56, hield Andersen er definitief mee op. De dominantie die Andersen gedurende 3 jaar toonde wordt niet helemaal gereflecteerd in deze ranking, doordat hij zo'n relatief korte carrière had. Het spreekt echter boekdelen dat alleen Schenk en Heiden in een periode van 3 jaar meer punten voor de lijst pakten dan Andersen. Dat standbeeld in Trondheim heeft hij dus meer dan verdiend.

16. Jeremy Wotherspoon
Canada, 1996-2014

Ik had jullie sprinters beloofd, en zie hier, alweer de 4e sprinter in dit blokje van 5. Wotherspoon is de hoogst geplaatste Canadees van de lijst en de 2e top 20 bewoner die geen Olympische titel heeft. Bij zijn eerste deelname aan het WK in 1996 deed Jeremy direct iets wat hij nog vaak zou doen: vallen. Ondanks die vele valpartijen was hij vanaf 1998 echter wel gedurende 10 jaar de meest constante en dominante sprinter. Hij pakte toen zilver op het WK Sprint, met 4 afstandsmedailles en zilver op de 500 op de Spelen. Bizar genoeg zou dat zijn enige Olympische medaille blijken te zijn. In de jaren die volgden, tussen 1999 en 2003 pakte hij wel een schier oneindige hoeveelheid worldcupzeges, 4 wereldtitels sprint (en 1 keer brons), goud, zilver en brons op het WK 500 meter en eenmaal goud op de 1000. Ook waren er een stuk of 10 wereldrecords. Na deze topperiode was de piek een beetje geweest, maar tussen 2004 en 2006 zou hij nog 'gewoon' 2 maal zilver pakken op het WK Sprint en wederom 3 medailles (1x goud) op de WK afstanden. Na een dramatisch verlopen 2006 was Wotherspoon er klaar mee, maar toen hij in 2007 weer terugkwam was zijn 500 misschien wel beter dan ooit. Hij werd weer 2e op het WK Sprint en kampioen op de 500 en reed nog een aantal (combi)wereldrecords, waaronder die waanzinnige 34,03 (en 34,31 op laagland in Hamar). Oscarwaardig! Toen droogden de prijzen op en na 2010 stopte hij, begon hij weer en stopte hij weer. Ondanks de waanzinnige hoeveelheid medailles die Wotherspoon wel won heeft hij er ook nog talloze laten liggen door al die valpartijen en missers. Op de Spelen heeft hij gelukkig nog zijn gram gehaald door Lorentzen naar de titel te coachen op de 500 in 2018. Zijn 15 officiële wereldrecords brengen hem op plek 2 voor het wereldrecord wereldrecords rijden, op de 500-lijst staat hij 4e en op de sprint staat hij, dankzij 4 titels en 9 (!) medailles fier bovenaan.
 
Laatst bewerkt:
16. Jeremy Wotherspoon
Canada, 1996-2014

Op de Spelen heeft hij gelukkig nog zijn gram gehaald door Lorentzen naar de titel te coachen op de 500 in 2018.
Wat dit extra leuk maakt is dat Lorentzen in die rit eindelijk het tien jaar oude laagland-ronderecord van Wotherspoon brak. Wotherspoon reed 24.68 op de 1000 meter in Hamar in januari 2008 een dag na die 34.31, en Lorentzen reed 24.67 bij zijn Olympische rit.
 
Laatst bewerkt:
Ik moet inmiddels mijn best doen om binnen de vereiste 10.000 tekens te blijven (een limitering die ik tot het zojuist misging nog niet kende overigens), waardoor er weinig ruimte meer is voor extra uitleg. Nu de spanning ondraaglijke vormen aan begint te nemen is het wel tijd voor nog wat extra context, dus die komt hier nog even in een extra post.

Jullie zijn inmiddels allemaal bekend met het voordeel van allrounden en het voordeel van een lange carriere, na 1970, maar nog niet echt met dimensies waarbinnen de scores vallen. En dat is in dit geval wel relevant, want plekken 5 tot en met 16 zitten ontzettend dicht bij elkaar. Het gat tussen Wotherspoon en de nummer 5 is vergelijkbaar met het gat tussen Wotherspoon en Grisjin op 21 en het gat tussen de nummer 15 en de nummer 5 is zelfs vergelijkbaar met het gat tussen plek 15 en Boucher op 18.

Dat is verre van ideaal. Doorgaans worden de gaten hoe hoger je op zo'n lijst komt juist groter, waardoor er steeds meer voor nodig is om een plekje te stijgen. Nu zou een carrièreverlenging van 2 of zelfs maar 1 jaar in veel gevallen voor een gigantische verschuiving in de top hebben kunnen zorgen, waardoor de stayers/allrounders/carrièrebias nog meer invloed heeft. Het is puur toeval dat er zo'n grote groep zo hoog op de lijst nog zo dicht op elkaar zit en dat zorgt ervoor dat de wat zwakkere plekken van de puntenverdeling wat meer opvallen/voor wat opvallendere resultaten leiden.

Maar goed, elke puntenverdeling heeft altijd zijn nadelen en de lijst is de lijst: objectief en onverbiddelijk. Uitvluchten zijn dus bij voorbaat overbodig en kansloos, de lijst liegt nooit.
 
Laatst bewerkt:
Ha, dat probleem had ik ook toen ik de vijf snelste openingsrondes ooit op de 5 kilometer ging bespreken. Je hebt er nog 15 te gaan, dus misschien zou je er nu elke dag 3 kunnen posten ipv 5? Het is dan nog steeds voor het WK afstanden klaar en het geeft je extra ruimte voor uitleg.
 
Jullie zijn inmiddels allemaal bekend met het voordeel van allrounden en het voordeel van een lange carriere, na 1970, maar nog niet echt met dimensies waarbinnen de scores vallen. En dat is in dit geval wel relevant, want plekken 5 tot en met 16 zitten ontzettend dicht bij elkaar. Het gat tussen Wotherspoon en de nummer 5 is vergelijkbaar met het gat tussen Wotherspoon en Grisjin op 21 en het gat tussen de nummer 15 en de nummer 5 is zelfs vergelijkbaar met het gat tussen plek 15 en Boucher op 18.
Sprinters hebben maar twee afstanden t.o.v. de allrounders die vaak nog behoorlijk scoren op de 1500m. De combi 500/1000m is natuurlijk lastiger dan de combi 5/10 km omdat de concurrentie duidelijk groter is. Wat je zou kunnen doen is naar het algemene beeld kijken op basis van data van de betreffende afstandlijsten. Bijvoorbeeld voor de beste 10 sprinters en allrounders. Daaruit rolt een verhouding waarmee de allrounders beter scoren t.o.v. de sprinters. Het zal zo 5-10% zijn schat ik in. Als je dan dat toepast op de lijst hoe verandert dat de volgorde? Is het dan zo dat iemand als Wotherspoon de top 10 in gaat?

Wat verder nog een leuke check is om de hele periode in drieën te delen: 1946-1975, 1976-2000 en 2001-2025. Tel het aantal schaatsers uit de verschillende tijdperken en dan zou het ongeveer 16-17-17 moeten zijn. Waarbij je schaatsers over twee tijdperken kunnen verdelen, bv Wotherspoon 40% periode 2 en 60% periode 3.
 
Ik moet inmiddels mijn best doen om binnen de vereiste 10.000 tekens te blijven (een limitering die ik tot het zojuist misging nog niet kende overigens),

Ik denk dat de meeste mensen hier die limitering (logischerwijs) niet kennen, maar welkom bij de club. ;) Verder sluit ik me aan bij Marcel. Er hoeven natuurlijk niet in elk volgend stukje 5 schaatsers te komen. De kampioenen die nu volgen verdienen alle ruimte. Nu ben je nog niet klaar met de mannen, maar ik heb me ondertussen wel af zitten vragen welke vrouw met deze rekenmethode bovenaan zou staan. Misschien iets voor volgend seizoen? Bij de mannen heb ik wel een redelijk idee. Al ben ik wel benieuwd hoe de top 10 achter die nummer 1 eruit ziet.

En tjonge, die Grisjin, dat was me d'r toch ook eentje. Een legende van ver voor mijn tijd. En waarschijnlijk hebben zelfs de meest gelouterde en ervaren forumleden hier hem nauwelijks bewust meegemaakt. Die dubbele Olympische Gouden dubbel op de 500 en 1500 is en blijft zeer bijzonder. Eigenlijk mag Wennemars, die boven 'm staat, hooguit Grisjin's schoenen poetsen. Al vind ik wel dat het allround avontuur van Wennemars naast bewonderenswaardig met een 3e en 5e plek op het NK en vooral ook die legendarische 5e plek op het WK best wel succesvol was. Ik was vanwege zijn oerlelijke stijl en iets te drammerige persoonlijkheid nooit echt een fan van Wennemars, maar op dat WK Allround stal ie wel de show. Al was dat dan in het voorprogramma van de echte kampioen van dat toernooi.
 
Op verzoek vandaag een wat kleiner groepje :).

15. Johann Olav Koss
Noorwegen, 1988-1994

Een eerste reactie zou kunnen zijn: huh, Koss zo laag? Maar laten we het omdraaien: Ondanks dat Koss maar 6 jaar met punten heeft (de rijders onder en boven hem hebben bv. 12 en 13 jaar met punten) staat Koss alsnog zo hoog. En dat komt doordat Koss gedurende 5 van die 6 jaar de beste schaatser ter wereld was. Als junior was Koss eigenlijk helemaal niet zo'n groot talent en ook als eerstejaars neo kwam hij niet verder dan plek 30 op het WK. In 1989 liet hij voor het eerst zijn potentie zien door 8e te worden met een 2e plek op de 1500: zijn eerste medaille. Wat er vervolgens precies gebeurde in de zomer van 1989 weet ik niet, maar toen Koss eruit kwam was hij in ieder geval de beste schaatser ter wereld. Op het EK was er nog geen succes, maar op het WK pakte hij direct de titel met medailles op 1500 t/m 10, wat hem de Oscar opleverde. Het seizoen van 1991 zou vervolgens zijn eerste echte superjaar worden: winst op het EK en in Thialf op het WK wereldrecords op de 5, 10 en winst op de 1500. Het resultaat? Een wereldrecord punten, en bijna 3 punten voor op nummer 2 Sighel (#63). En weer een Oscar, natuurlijk. Een kleine dip in 1992 en 1993 (slechts brons en zilver op het WK, wel weer 6 afstandsmedailles waaronder 2 zeges) en een alvleesklieroperatie weerhielden hem niet van Olympisch eremetaal in Albertville: goud op de 1500 (dit zou zijn succesvolste afstand blijven met een 7e plek op de afstandslijst als gevolg) en zilver op de 10. 1994 was echt het boerenjaar met winst op WK en in eigen huis de Olympische 1500 tot en met 10, de laatste die combinatie zou winnen. Al de Olympische titels waren in wereldrecords, waaronder die legendarische 13.30, 19 resp. 26 seconde voor op Storelid en Veldkamp. Dat was natuurlijk weer een Oscar, waardoor hij eindigde met 10 wereldrecords, 3 Oscars (gedeeld 2e plek) en 1999 dagen aan top van de Adelskalender (plek 9 allertijden en plek 3 na de oorlo). Zijn records en Adelskalenderpositie werden pas verbeterd met de klapschaats en met het verdedigen van de Olympische titel op de 1500 was hij de opvolger van Grisjin en de voorganger van...? Toen Koss op zijn 25e stopte liet hij een groot gat achter in het Noorse schaatsen, dat gedurende 10 jaar op allroundvlak eigenlijk alleen nog Ervik (#196) zou hebben als (sub)topper. Gelukkig is er nu met Eitrem eindelijk een echte opvolger als allroundkampioen.

14. Hiroyasu Shimizu
Japan, 1993-2009

Het leuke van deze lijst is toch wel dat we zoveel verschillende schaatsers door elkaar heen zien staan. Na de korte carrière op zoveel verschillende onderdelen van Koss de megalange carrière van supersprinter Shimizu. Er staan 13 Japanners in de top 200, 2 daarvan zijn Shirahata (#54) en Noake (#193) en 11 zijn sprinters. En De Keizer was de beste sprinter van allemaal met ook nog eens de langste carrière. Hij kwam uit schaatsstad Obihiro en pakte op 19 jarige leeftijd direct 2 keer zilver op de 500 en brons op het eindklassement bij het WK Sprint. Op de Spelen van 1994 lukte het nog net niet, maar in de jaren die volgden zou Shimizu op een niet te stoppen manier oneindig veel medailles blijven pakken, waarmee hij als 1 van de beste rijders in staat bleek de overstap van vaste naar klapschaats te zetten. Tussen 1995 en 2001 was hij alleen in 1997 niet de beste op de 500, wat, met onder andere Wotherspoon als concurrent een behoorlijke prestatie was. Dat was dus inclusief zijn glorieuze gouden medaille op de Spelen in eigen huis. Zijn 1000 wilde nooit zo lukken, maar tijdens die Spelen pakte hij zelfs daar brons en ook in 1999 was er nog zilver. Door zijn zwakkere 1000 lukte het Shimizu alleen nooit om het WK Sprint te winnen: Tussen 1993 en 2005 eindigde hij altijd in de top 10, maar verder dan 2x zilver en 4x brons kwam hij niet. Nee het was echt de 500 die hem zijn roem bracht. Tussen 1993 en 2005 heeft hij op die afstand 13 keer op rij de top 10 gehaald, waarvan 1 9e plek, 1 5e plek en de rest alleen maar medailles. En dat op een afstand waar alles altijd moet kloppen en de kans op een missertje of een valpartij het grootst is. Ongelooflijk knap, nooit eerder en nooit later vertoond. Hij reed in die periode ook ladingen wereldrecords waaronder de 34,82 in 1998 waarmee hij de eerste rijder onder de 35 seconde werd. Staat Shimizu op de sprintranglijst nog op een hele nette 5e plaats, op de 500 staat hij glorieus bovenaan. (En om nog even een idee van de dimensie te geven: het gat tussen Shimizu op 1 en Mey op 3 is groter dan het gat op de totale lijst tussen Wotherspoon op 16 en de nummer 5.

13. Oleg Gontsjarenko
Oekraïne, 1953-1961

Dit is misschien wel het leukste lid van de top 20, want wie heeft het nou ooit over Oleg Gontsjarenko? Geboren in Charkov is hij dus niet de hoogste Rus op de lijst (dat was Grisjin immers al), ook niet de hoogste Sovjetter (die komt nog), maar wel de hoogste Oekraïner. En nee, niet eens de enige Oekraïner, want Joeri Sjoelga bezet een hele degelijke 451e plaats. Gontsjarenko dus, toen Hjalmar Andersen stopte zagen de Sovjets het ineens wel zitten om mee te gaan doen aan het internationale schaatsen, dus in 1953 dook ineens een heel contigent nieuwe rijders op. Sjilkov, Grisjin en Gontsjarenko waren de kopmannen van die generatie. En Gonstsjarenko sloeg direct toe: wereldkampioen, met afstandszeges op 5 en 10. In 1954 pakte hij weliswaar dezelfde afstandszeges, maar moest hij in het AK Sjilkov voorlaten en in 1955 was Ericsson de boosdoener (wel weer een afstandszege, de 1500 ditmaal). Tijdens de Spelen van 1956 waren het weer Sjilkov en Ericsson (#59) die de gouden medailles pakten op 5 en 10, Gontsjarenko werd 2 keer derde. De Sovjet-Unie zou dat toernooi overigens 7 van de 12 medailles winnen. 2 weken later was het al tijd voor revanche op het WK in het Bislett en Gontsjarenko won, met een voorsprong van slechts 0,04 punt op Robert Merkoelov (#82), dankzij wederom een afstandszege op de 5. In de 2 jaren die volgden won Gontsjarenko nog 2 keer het EK en in 1958 pakte hij zijn 3e wereldtitel allround, met voor de verandering weer eens een afstandszege op de 1500. Dat jaar won hij dus het WK, EK en het NK, wat in de Sovjet-Unie in die jaren misschien wel net zo lastig was. Na 1958 bleef Gontsjarenko nog jaren meedoen, haalde hij nog wel top 10 noteringen (belangrijke punten om Koss en Shimizu voor te blijven), maar waren de medailles verleden tijd. Gontsjarenko was halverwege de jaren '50 weliswaard de beste en meest succesvolle allrounder, die op alle afstanden goed uit de voeten kon, maar hij reed nooit een WR en stond nooit aan de top van de Adelskalender. Op de afstandslijst van de 5 staat hij 10e, bij het allrounden 6e. Hij schijnt gigantisch populair te zijn geweest, ook nadat hij al gestopt was, wat hem onder meer het ereburgerschap van Oslo en Denver (?!) heeft opgeleverd. Volgens de overlevering ontving hij na zijn eerste wereldtitel allround een felicitatietelegram van Oscar Mathisen, dat Gontsjarenko de rest van zijn leven heeft bewaard. Zijn leven eindigde overigens tragisch op 55 jarige leeftijd na een lang ziekbed.
 
Laatst bewerkt:
Wat gaaf dat je ook zo veel achtergrondinformatie erbij vermeldt. Het is niet alleen “die won dat en die won dat” maar het gaat ook over een telegram voor Goncharenko, een standbeeld voor Andersen en wie wanneer een Oscar kreeg.
 
Nog twaalf namen over! Wie zouden daarbij kunnen zitten?

Sven Kramer
Eric Heiden
Ard Schenk
Shani Davis
Igor Zhelezovski
Rintje Ritsma
Kjeld Nuis
Kees Verkerk
Jordan Stolz
Knut Johannesen ???
Jochem Uytdehaage / Bart Veldkamp
misschien nog een van de 4 S'en
 
Nog twaalf namen over! Wie zouden daarbij kunnen zitten?

Sven Kramer
Eric Heiden
Ard Schenk
Shani Davis
Igor Zhelezovski
Rintje Ritsma
Kjeld Nuis
Kees Verkerk
Jordan Stolz
Knut Johannesen ???
Jochem Uytdehaage / Bart Veldkamp
misschien nog een van de 4 S'en
 
Erhard Keller ?
 
Back
Top