20. Dan Jansen
VS, 1983-1994
Het verhaal van Dan Jansen is misschien wel het meest vertelde verhaal uit het schaatsen. De man die altijd als topfavoriet aan de Spelen startte, het telkens niet haalde om allerlei redenen (overlijden van zijn zus, valpartijen, slechte ritten), en toen in 1994 alsnog de 1000 wist te winnen. Amerikaanser wordt het niet. Maar hoewel hij inderdaad medaillekandidaat was, was het niet zo dat hij voor de rest wel dé dominante sprinter was van die tijd. Hij was eigenlijk 1 van de 3 grootste namen in die periode; Mey hebben we al gezien, de 3e komt nog. In 1984 werd hij op 18 jarige leeftijd, onder de auspiciën van Bob Corby (!), al 4e op de 500 in Sarajevo en een jaar later pakte hij al brons op het WK Sprint. In de jaren die volgden was hij vooral op de sprintklassementen en de 500 meter top, met zilver in 1986 en winst op het WK Sprint van 1988 en meerdere afstandsmedailles/zeges. Het verhaal van de Spelen in 1988 is bekend en in de jaren daarna werd het lastiger, o.a. door toenemende concurrentie uit Azië. Hierdoor greep Jansen vaak net naast de prijzen, hoewel er, vooral op de 500 nog wel veel afstandsmedailles waren. In 1992 wist hij eindelijk weer eens zilver te pakken op het WK en in dat jaar 1992 zette hij ook de stap naar het rijden van Wereldrecords. En hoe, in de 2 jaar die volgden zou hij in totaal 5 records op de 500 en 1 op de 1000 rijden. Hij was de eerste de onder de 36 seconden zou rijden en pas nadat hij dat al 4 keer had gedaan zou het iemand anders ook lukken. 1994 werd uiteindelijk zijn grote jaar, met zijn 2e titel op het WK Sprint, een half punt voor op nummer 2 Klevtsjenja, en natuurlijk het goud, in een WR in Hamar op de 1000. Hij was pas 28 toen hij stopte, maar toen had hij er dus al een superstabiel decennium opzitten, wat hem naar de 4e plek in het sprintklassement en de 8e op de 500 brengt. En als echte Amerikaan moet je natuurlijk wel stoppen op je hoogtepunt.
19. Erben Wennemars
Nederland, 1995-2014
Toen Jan Bos als eerste Nederlander ooit wereldkampioen sprint werd, debuteerde Wennemars met een 3e plek. Uiteindelijk zou de wilde Wennemars dat topniveau veel langer vasthouden en daardoor ook veel meer winnen dan de stylist Jan Bos. Dit is niet voldoende bewijs voor een hele theorie, maar ik heb het idee dat sporters die er harder voor moeten werken, vaak meer succes hebben dan de natuurtalenten voor wie alles komt aanwaaien. Wennemars was relatief uniek als rijder die op de 500 tot en met de 1500 medailles won. De Spelen in 1998 liepen in de soep doordat hij onderuit werd geschoffeld door Grunde Njos (die overigens op plek 237 staat in de lijst) en in de jaren die volgden waren er wel een zilveren medaille op de 500 en een bronzen op de 1500, maar eigenlijk was Wennemars toen nog een subtopper. Pas in 2003 werd Wennemars foto-op-de-koelkastwaardig door brons op het WK Sprint en 500 meter en titels op de 1000 en 1500. In de jaren die volgden waren er nog goud op de 1000, brons op de 1500 en 2 sprintwereldtitels, waarmee Wennemars de eerste Nederlander werd die zijn titel wist te verdedigen (ik weet het, iedereen is altijd wel ergens de eerste mee, maar je moet toch wat statistieken verzinnen voor dit soort stukjes). In 2006 was er dan eindelijk die Olympische medaille met brons op de 1000 en ook in 2007 was er nog eremetaal op de 1500. In die periode reed hij ook zijn enige officiële afstandswereldrecord, toen hij Davis op meesterlijke wijze evenaarde. Wennemars is ook een mooi voorbeeld dat niet elke veelwinnaar ook Olympisch Kampioen wordt, er staan in totaal 5 rijders in deze top 20 die dat niet hebben gehaald. Hij probeerde ook nog te allrounden wat zeer bewonderenswaardig, maar geen heel groot succes was. Kijkend hoe laat Wennemars pas een echte wereldtopper werd heeft zijn zoon nog alle tijd om die stap te zetten.
18. Gaétan Boucher
Canada, 1975-1988
De eerste Canadese man die echt een stabiele wereldtopper wist te worden was volgens de verhalen van origine een shorttracker. Dat zal best zo zijn, maar hij deed op zijn 16e al mee aan het WK Allround, toen hij nog 3 deelnames aan het WK Junioren te gaan had, dus echt een late instromer was hij nou ook weer niet. Als B2-junior werd hij vervolgens al 6e op de 1000 in Innsbruck en in zijn eerste jaar als senior (1979) pakte hij al zilver op het WK Sprint. Hij moest het op het WK voornamelijk hebben van de 1000 meter, zijn 500 was nooit echt goed. In deze periode moest hij natuurlijk opboksen tegen Heiden, dus ook in 1980 waren zilver op het WK en de 1000 op de Spelen zijn deel. Toen Heiden stopte kwam er ineens ruimte om dingen te winnen, maar hoewel hij de beste 1000 meterrijder van het WK van 1981 was weerhield een val op de 500 Boucher ervan om hier gebruik van te maken. Na nog een 2e plek in 1982, was het in 1984 eindelijk raak. Wereldkampioen sprint, mede doordat hij ook eindelijk weer eens top 500 meters reed en op de Spelen van Sarajevo 2 keer goud (1000, 1500) en 1x brons. In dat jaar kreeg hij ook de Oscar, als 2e sprinter ooit (na Koelikov in 1975). In 1985 was er nog zilver op het WK (hij bezet plek 8 op de sprinterslijst). Daarna ging hij nog door tot zijn 4e Spelen in 1988, maar top 5 plekken waren tegen die tijd het hoogst haalbare. Wereldrecords waren in het Medeotijdperk natuurlijk lastig te rijden voor een niet-Rus, maar in 1981 lukte het toch een keertje op de 1000 meter. Dat dit zijn beste afstand was blijkt ook wel uit zijn 4e plek op die afstandslijst. Op de 1500 had hij misschien ook wel wat meer potten kunnen breken, maar hij was echt geen allrounder en deed daardoor vaak ook niet mee aan de WK's, waardoor hij maar weinig kansen had op eremetaal. Hij had wel een hoog Mathieu van der Poel gehalte als wereldkampioen in meerdere disciplines: in 1977 en 1980 werd hij wereldkampioen tijdens de beginjaren van het WK Shorttrack.
17. Hjalmar Andersen
Noorwegen, 1948-1956
Ik was een jaar of 10 geleden in Trondheim en daar stuitte ik, wat achteraf, op een pleintje aan het water ineens op een standbeeld van Hjalmar Andersen. Ik kende zijn naam wel, maar daar hield het wel ongeveer bij op. Nu weet ik wel beter, want Andersen was na de oorlog de eerste megakampioen. Hij was al 24 toen hij in 1948 net als 6 anderen een DNF achter zijn naam kreeg op de 10. Een jaar later werd hij al 2e op het EK en reed hij een wereldrecord op de 10. Toch kwam de echte piek pas tussen 1950 en 1952 toen hij zo goed als onverslaanbaar was. Hij won in die periode 3x het EK, 3x het WK, alle afstandszeges op 5 en 10 en in het Bislett de Olympische Titels op de 1500, 5 en 10. Op de 1500 kwam Wim van der Voort nog tot op 0,2 seconden, maar op de 5 en 10 was de dominantie compleet met gaten van 11 en 24 seconde naar Kees Broekman. Dat laatste is nog steeds het grootste gat op de Spelen ooit. In 1952 won hij ook nog het EK met het grootste verschil ooit (ruim 4 punten, weer richting Broekman) en in 1951 had hij op het WK een gat van bijna 4 punten naar Cronshey. Hij reed in die periode nog 2 wereldrecords op de 10 en eentje op de 5, wat hem van 1952 tot en met 1954 708 dagen aan de top van de Adelskalender hield. Na zo'n periode van overmacht kan ik begrijpen dat je er als amateur een beetje klaar mee bent, dus stopte Andersen. Het begon echter toch snel weer te kriebelen, maar toen hij terugkwam had hij ineens te maken met een enorme hoeveelheid Sovjetrijders die hem voorbij waren gestreefd. Hij wist nog wel wat medailles te pakken her en der, maar terugkomen op zijn oude niveau was ondenkbaar en na teleurstellende 6e en 11e plekken op de Spelen van '56, hield Andersen er definitief mee op. De dominantie die Andersen gedurende 3 jaar toonde wordt niet helemaal gereflecteerd in deze ranking, doordat hij zo'n relatief korte carrière had. Het spreekt echter boekdelen dat alleen Schenk en Heiden in een periode van 3 jaar meer punten voor de lijst pakten dan Andersen. Dat standbeeld in Trondheim heeft hij dus meer dan verdiend.
16. Jeremy Wotherspoon
Canada, 1996-2014
Ik had jullie sprinters beloofd, en zie hier, alweer de 4e sprinter in dit blokje van 5. Wotherspoon is de hoogst geplaatste Canadees van de lijst en de 2e top 20 bewoner die geen Olympische titel heeft. Bij zijn eerste deelname aan het WK in 1996 deed Jeremy direct iets wat hij nog vaak zou doen: vallen. Ondanks die vele valpartijen was hij vanaf 1998 echter wel gedurende 10 jaar de meest constante en dominante sprinter. Hij pakte toen zilver op het WK Sprint, met 4 afstandsmedailles en zilver op de 500 op de Spelen. Bizar genoeg zou dat zijn enige Olympische medaille blijken te zijn. In de jaren die volgden, tussen 1999 en 2003 pakte hij wel een schier oneindige hoeveelheid worldcupzeges, 4 wereldtitels sprint (en 1 keer brons), goud, zilver en brons op het WK 500 meter en eenmaal goud op de 1000. Ook waren er een stuk of 10 wereldrecords. Na deze topperiode was de piek een beetje geweest, maar tussen 2004 en 2006 zou hij nog 'gewoon' 2 maal zilver pakken op het WK Sprint en wederom 3 medailles (1x goud) op de WK afstanden. Na een dramatisch verlopen 2006 was Wotherspoon er klaar mee, maar toen hij in 2007 weer terugkwam was zijn 500 misschien wel beter dan ooit. Hij werd weer 2e op het WK Sprint en kampioen op de 500 en reed nog een aantal (combi)wereldrecords, waaronder die waanzinnige 34,03 (en 34,31 op laagland in Hamar). Oscarwaardig! Toen droogden de prijzen op en na 2010 stopte hij, begon hij weer en stopte hij weer. Ondanks de waanzinnige hoeveelheid medailles die Wotherspoon wel won heeft hij er ook nog talloze laten liggen door al die valpartijen en missers. Op de Spelen heeft hij gelukkig nog zijn gram gehaald door Lorentzen naar de titel te coachen op de 500 in 2018. Zijn 15 officiële wereldrecords brengen hem op plek 2 voor het wereldrecord wereldrecords rijden, op de 500-lijst staat hij 4e en op de sprint staat hij, dankzij 4 titels en 9 (!) medailles fier bovenaan.